Raadsvergadering

Raadsvergadering 15 december 2020

dinsdag 15 december 2020 21:00 - 23:00
Locatie:
Raadzaal
Voorzitter:
Burgemeester Meijdam
Toelichting:

Raadsvergadering 15 december 2020

Uitzending

Agendapunten

  • 0
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4


    Besluitenlijsten en conclusieformulieren raadsbijeenkomsten
    Titel
    Besluitenlijst Raadsvergadering 1 december 2020
    Besluitenlijst Raadsvergadering 17 november 2020 digitaal
    Besluitenlijst Raadsvergadering 17 november 2020 fysiek
    Besluitenlijst Raadsvergadering 27 oktober 2020 en 10 november
  • 5
  • 5.a
  • 5.a.1

    Begin 2019 is de Kadernota Sociaal Domein 2019-2022 in de gemeenteraad behandeld en zijn de kaders voor het sociaal domein vastgesteld. In deze kadernota is bepaald dat het college jaarlijks programmaplannen opstelt voor de Wmo, Jeugdwet en Participatiewet. Deze programmaplannen geven een overzicht van (de uitwerking van) het beleid en de maatregelen op de verschillende onderdelen. Ook is daarin bepaald hoe de beschikbare middelen in het betreffende jaar worden ingezet.
    Medio dit jaar is de Aanpak Sociaal Domein vastgesteld op basis waarvan er een inhoudelijke en financiële herijking heeft plaatsgevonden. Gezien deze recente herijking en het feit dat er nu geen verdere inhoudelijke wijzigingen nodig zijn, zullen er voor 2021 geen nieuwe programmaplannen worden opgesteld. De huidige programmaplannen zullen, rekening houdend met de Aanpak Sociaal Domein, worden verlengd tot 2021.



    Moties
    Titel
    Motie programmaplannen - D66
    Raadsvragen
    Onderwerp
    Technische vragen 278 Programmaplannen socdomein - D66
    Technische vragen 278 Uitvoeringsplannen sociaal domein - PvdA

    00:32:45 - 00:34:18 - H.M. Meijdam
  • 5.a.1a
  • 5.a.2

    De gemeenteraad is in mei 2020 door middel van een Informatienota geïnformeerd over de voortgang van de implementatie van de Omgevingswet. Met de nieuwe Informatienota wordt de raad door het college op de hoogte gebracht van de actuele stand van zaken van de implementatie van de Omgevingswet inclusief financiën en de planning.



    Raadsvragen
    Onderwerp
    Technische vragen 332. Informatienota implementatie Omgevingswet - GL
  • 5.a.3
  • 5.a.4


    Raadsvragen
    Onderwerp
    Technische vragen 338 Stedelijk triageteam Wmo - GL
  • 5.a.5
  • 5.a.6
  • 5.a.7
  • 5.a.8
  • 5.a.9
  • 5.b


    Ingekomen stukken
    Titel
    01. Nederlandse Vereniging voor Raadsleden inzake Herfstbrief
    02. Vereniging van Nederlandse Gemeenten inzake Ledenbrief Inwerkingtreding Tijdelijke wet maatregelen Covid-19
    03. Gemeente Bergen inzake motie uitrol 5G netwerk
    04. Rookhinder inzake informatie wat een fractie kan doen aan het houtrookprobleem
    05. Vereniging van Nederlandse Gemeenten inzake Ledenbrief maatregelen beheersing kosten abonnementstarief
    06. Gemeente Hof van Twente inzake aangenomen motie opnemen van 500 vluchtelingenkinderen uit Griekenland
    07. ISGlobal Barcelona inzake deelname onderzoek antibiotica resistentie
    08. Vereniging van Nederlandse Gemeenten inzake ledenbrief actuele ontwikkelingen coronacrisis
    09. Camping het oppertje inzake geen of lagere toeristenbelasting invoeren
    10. Burger inzake reactie van raad op eerder gestuurde brieven over Werkeiland
    11. Vereniging van Nederlandse Gemeenten inzake ledenbrief VNG Model Verordening bekostiging leerlingenvervoer (nieuw)
    12. Overlegorgaan Bouwnijverheid Lelystad inzake verzoek beëindiging subsidie City Marketing Lelystad herzien
    13. Vereniging van Nederlandse Gemeenten inzake ledennieuwsbrief coronacrisis nr 20
    14. Buitenplaets Suydersee inzake behandeling toeristenbelasting in vergadering 15122020
    15. Bedrijfskring inzake CML
    Raadsvragen
    Onderwerp
    Technische inzake plotselinge opheffing CML
  • 6

    In een brief heeft het college vragen beantwoord over de leegstand van winkelpanden in het Stadshart.



    Moties
    Titel
    Motie sessie 2 - leegstand winkelpanden - PvdA
    Raadsvragen
    Onderwerp
    Schriftelijke vragen PvdA betreft Leegstand panden centrum
  • 7

    De Partij van de Arbeid heeft vragen gesteld over de stand van zaken met betrekking tot de voorbereiding van de nieuwe Wet Inburgering. Het college van burgemeester en wethouders beantwoordt deze vragen door middel van een brief aan de fractie van de PvdA



    Moties
    Titel
    Motie inburgeringsbeleid - PvdA

    00:37:54 - 00:38:23 - H.M. Meijdam
  • 7.a
  • 8
  • 8.a.1

    In artikel 120 van de Grondwet is verankerd dat gemeenten bij wet genoemde belastingen kunnen heffen. Het ‘bij wet genoemd’ is uitgewerkt in artikel 216 van de Gemeentewet. Daarin staat dat gemeenten belastingen kunnen heffen door het vaststellen van een verordening. De gemeente Lelystad maakt van deze mogelijkheid gebruik. De gemeenteraad stelt jaarlijks de belastingverordeningen vast, waardoor gemeentelijke belastingen, heffingen en rechten kunnen worden  geheven. De totale opbrengst is voor 2021 begroot op € 50,45 miljoen. Voor de onderverdeling van deze begrote totale opbrengst wordt verwezen naar het kopje “financiën”.
    Met de opbrengst van de algemene belastingen worden de voorzieningen betaald die in de begroting zijn vastgesteld. Met de opbrengst van de heffingen worden collectieve diensten bekostigd waarvan  inwoners en/of bedrijven gebruik maken. De opbrengst van de rechten dienen om gemeentelijke diensten of het gebruikmaken van openbare bezittingen te vergoeden.
    De woonlasten bestaan voor huishoudens met een huurwoning uit de afvalstoffenheffing en de rioolheffing. De woonlasten bestaan voor huishoudens met een eigen woning uit de onroerende-zaak belastingen, de afvalstoffenheffing en de rioolheffing. In bijlage 1 worden de woonlasten weergegeven bij de grootte van het huishouden, waarbij de gemiddelde WOZ-waarde € 222.606 bedraagt.
    In de afgelopen jaren is als uitgangspunt vastgehouden aan een kostendekkende afvalstoffen- en rioolheffing en dit zet Lelystad in 2021 zo voort. Daarnaast wordt de opbrengst uit de onroerendezaakbelasting in 2021 niet verhoogd, behoudens de jaarlijkse correctie voor inflatie en areaaluitbreiding. Bij dreigende begrotingstekorten is het uitgangspunt dat de oplossing wordt gezocht in het doorvoeren van bezuinigingen in plaats van het doorvoeren van lastenverzwaringen.


    Resultaat stemming:


    Voorgesteld besluit

    De raad voor te stellen de onder nummer 1 tot en met nummer 12 genoemde belastingverordeningen en tarievenregeling vast te stellen.
    1. de Verordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen 2021;
    2. de Verordening op de heffing en de invordering van belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten 2021;
    3. de Verordening op de heffing en de invordering van afvalstoffenheffing 2021;
    4. de Verordening op de heffing en de invordering van rioolheffing 2021;
    5. de Verordening op de heffing en de invordering van hondenbelasting 2021;
    6. de Verordening op de heffing en de invordering van marktgelden 2021;
    7. de Regeling tot vaststelling van de tarieven voor de huur van gemeentegrond door de ambulante
     handel 2021;
    8. de Verordening op de heffing en de invordering van leges 2021;
    9. de Verordening op de heffing en de invordering van lijkbezorgingsrechten 2021;
    10. de Verordening op de heffing en de invordering van reclamebelasting 2021;
    11.   de Verordening op de heffing en de invordering van de liggelden Bataviahaven 2021;
    12.   de Verordening op de heffing en de invordering van de parkeerbelastingen 2021.


    Besluit
    De raad voor te stellen de onder nummer 1 tot en met nummer 12 genoemde belastingverordeningen en tarievenregeling vast te stellen. Nummer: 322 / 1 VERORDENING op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen 2021 (Verordening onroerende-zaakbelastingen Lelystad 2021). Artikel 1 Belastingplicht 1.    Onder de naam 'onroerende-zaakbelastingen' worden ter zake van binnen de gemeente gelegen        onroerende zaken twee directe belastingen geheven:     a.    een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt;     b.    een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht. 2.    Met betrekking tot de gebruikersbelasting wordt:     a.    gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven, is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;     b.    het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als              gebruik door degene die die onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld. 3.    Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de kadastrale registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is. Artikel 2 Belastingobject 1.    Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken. 2.    Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Artikel 3 Maatstaf van heffing 1.    De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar bedoeld in artikel 1. 2.    Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken. Artikel 4 Vrijstellingen 1.    In afwijking van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van:     a.    ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken;     b.    glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond;     c.    onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;     d.    één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan bij de krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen;        e.    natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden;     f.    openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;     g.    waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;     h.    werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;     i.    werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken;     j.    straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanig gebouwde eigendommen - niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen;     k.    plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning. 2.    De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel k van het eerste lid bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht. Artikel 5 Belastingtarieven 1.    Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor:     a.    de gebruikersbelasting 0,0628%     b.    de eigenarenbelasting:             1. voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,1517%             2. voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen 0,6437% 2.    Het bedrag van de belasting wordt per belastingaanslag naar beneden afgerond op gehele euro's. 3.    Voor belastingbedragen tot € 10,00 vindt geen invordering plaats. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen onroerende-zaakbelastingen of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag. Artikel 6 Wijze van heffing De belastingen worden bij wege van aanslag geheven. Artikel 7 Termijnen van betaling 1.    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een belastingaanslag van minder dan € 50,00 en een belastingaanslag van € 5.000,00 of meer worden betaald in één termijn, die vervalt op de laatste dag van de maand volgende op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld. 2.    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een belastingaanslag van € 50,00 of meer doch minder dan € 5.000,00 worden betaald in vier gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 3.    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 en in afwijking van het tweede lid van dit artikel geldt dat, zolang een belastingaanslag van € 50,00 of meer doch minder dan € 5.000,00 door middel van automatische betalingsincasso kan worden afgeschreven, deze aanslag moet worden betaald in elf gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt:     a.     indien de dagtekening van de aanslag voor het kalenderjaar in de maanden januari, februari,          maart of april van dat kalenderjaar ligt, op de laatste dag van de maand volgend op die welke          in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens          een maand later;     b.    in alle overige gevallen van automatische betalingsincasso, op de laatste dag van de maand         volgend op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de              volgende termijnen telkens een maand later. 4.    De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de vorige leden gestelde termijnen. 5.    Voor de toepassing van het bepaalde in de voorgaande leden van dit artikel wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen onroerende-zaakbelastingen en andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag. Artikel 8 Nadere regels door het college van de gemeente Lelystad Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de onroerende-zaakbelastingen. Artikel 9 Inwerkingtreding en citeertitel 1.    De “Verordening onroerende-zaakbelastingen Lelystad 2020” van 17 december 2019 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2.    Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2021. 3.    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2021. 4.    Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening onroerende-zaakbelastingen Lelystad 2021”. \-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\- 322/2 VERORDENING op de heffing en de invordering van belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten 2021 (Verordening belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten Lelystad 2021). Artikel 1 Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: a.    ruimte: een roerende woon- of bedrijfsruimte, welke duurzaam aan een plaats gebonden is en dient tot permanente bewoning of permanent gebruik; b.    woonruimte: een ruimte waarvan de vastgestelde waarde in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van de ruimte die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden; c.    bedrijfsruimte: een ruimte die niet kan worden aangemerkt als woonruimte. Artikel 2 Belastingplicht Onder de naam “belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten” wordt ter zake van binnen de gemeente gelegen ruimten een directe belasting geheven van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een ruimte het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarenbelasting. Artikel 3 Belastingobject Als één ruimte wordt aangemerkt: a.    een binnen de gemeente gelegen ruimte; b.    een gedeelte van een in onderdeel a bedoelde ruimte dat blijkens zijn indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt; c.    een samenstel van twee of meer onder a bedoelde ruimten of in onderdeel b bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde persoon in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren; d.    het binnen de gemeente gelegen deel van een in onderdeel a bedoelde ruimte, van een in onderdeel b bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel c bedoeld samenstel. Artikel 4 Maatstaf van heffing 1.    De heffingsmaatstaf is de waarde die aan de ruimte dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de ruimte in de staat waarin deze zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. 2.    In afwijking van het eerste lid wordt de waarde van een bedrijfsruimte, met uitzondering van ruimten die zijn ingeschreven in een van de ingevolge de Erfgoedwet vastgestelde registers van beschermde monumenten, bepaald op de vervangingswaarde indien dit leidt tot een hogere waarde dan die ingevolge het eerste lid. Bij de berekening van de vervangingswaarde wordt rekening gehouden met:     a.    de aard en de bestemming van de ruimte;     b.    de sedert de stichting van de ruimte opgetreden technische en functionele veroudering waarbij de invloed van latere wijzigingen in aanmerking wordt genomen. 3.    In afwijking van het eerste lid wordt de waarde van een ruimte in aanbouw bepaald op de vervangingswaarde, bedoeld in het tweede lid. Onder een ruimte in aanbouw wordt verstaan een roerende zaak of gedeelte daarvan waarvoor een omgevingsvergunning in de zin van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is afgegeven en die door bouw nog niet geschikt is voor gebruik overeenkomstig de beoogde bestemming. 4.    In afwijking van het eerste lid wordt de waarde van een woonruimte, die deel uitmaakt van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, bepaald met inachtneming van een vooronderstelde verplichting om het landgoed gedurende een tijdvak van 25 jaren als zodanig in stand te houden en geen opgaand hout te vellen anders dan volgens de regels van normaal bosbeheer noodzakelijk of gebruikelijk is. Ruimten die dienstbaar zijn aan de woonruimte worden geacht deel uit te maken van die woonruimte. 5.    Met betrekking tot een ruimte als bedoeld in artikel 3, aanhef en onderdeel d, wordt de waarde gesteld op een evenredig deel van de waarde die dient te worden toegekend aan de gehele ruimte. Artikel 5 Vrijstellingen 1.    In afwijking van artikel 4 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, de waarde van:     a.    glasopstanden die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit cultuurgrond die bedrijfsmatig wordt geëxploiteerd ten behoeve van de land- of bosbouw. Onder cultuurgrond wordt mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken;     b.    ruimten die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige ruimten die dienen als woning;     c.    ruimten ten behoeve van waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, een en ander met uitzondering van delen van zodanige ruimten die dienen als woning;     d.    ruimten die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, een en ander met uitzondering van delen van zodanige ruimten die dienen als woning;     e.    werktuigen die van een ruimte kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als ruimten zijn aan te merken. Artikel 6 Waardepeildatum 1.    De heffingsmaatstaf wordt bepaald naar de waarde die de ruimte op 1 januari 2020 heeft. 2.    De heffingsmaatstaf vindt toepassing voor kalenderjaar 2021. 3.    De waarde van de ruimte wordt bepaald naar de staat waarin de ruimte op de waardepeildatum verkeert. 4.    Indien een ruimte tussen de waardepeildatum en het begin van het kalenderjaar:     a.    opgaat in een andere ruimte dan wel in meer ruimten, of     b.    wijzigt als gevolg van hetzij bouw, verbouwing, verbetering, afbraak of vernietiging, hetzij verandering van bestemming, of     c.    een verandering in waarde ondergaat als gevolg van een andere, specifiek voor de ruimte geldende, bijzondere omstandigheid, wordt, in afwijking van het derde lid, de waarde bepaald naar de staat van die ruimte bij het begin van het kalenderjaar. Artikel 7 Belastingtarieven 1.    Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor:     a.    de gebruikersbelasting 0,0628%     b.    de eigenarenbelasting:             1. voor roerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,1517%             2. voor roerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen 0,6437% 2.    Het bedrag van de belasting wordt per belastingaanslag naar beneden afgerond op gehele euro's.   3.    Voor belastingbedragen tot € 10,00 vindt geen invordering plaats. Voor de toepassing van de  vorige volzin wordt het totaal van op een aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag. Artikel 8 Wijze van heffing De belastingen worden bij wege van aanslag geheven. Artikel 9 Termijnen van betaling 1.    In afwijking van artikel 9, eerst lid van de Invorderingswet 1990 moet een belastingaanslag van minder dan € 50,00 en een belastingaanslag van € 5.000,00 of meer worden betaald in één termijn, die vervalt op de laatste dag van de maand volgende op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld. 2.    In afwijking van artikel 9, eerst lid van de Invorderingswet 1990 moet een belastingaanslag van € 50,00 of meer doch minder dan € 5.000,00 worden betaald in vier gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 3.    In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990 en in afwijking van het tweede lid van dit artikel geldt dat, zolang een belastingaanslag van € 50,00 of meer doch minder dan € 5.000,00 door middel van automatische betalingsincasso kan worden afgeschreven, deze aanslag moet worden betaald in elf gelijke termijnen.     De eerste termijn vervalt:     a.     indien de dagtekening van de aanslag voor het kalenderjaar in de maanden januari, februari,          maart of april van dat kalenderjaar ligt, op de laatste dag van de maand volgend op die welke          in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens          een maand later;     b.    in alle overige gevallen van automatische betalingsincasso, op de laatste dag van de maand volgend op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 4.    De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de vorige leden gestelde termijnen. 5.    Voor de toepassing van het bepaalde in de voorgaande leden van dit artikel wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten en andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag. Artikel 10 Nadere regels door het college van de gemeente Lelystad Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de belasting op roerende woon- of bedrijfsruimten. Artikel 11 Inwerkingtreding en citeertitel 1.    De “Verordening belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten Lelystad 2020” van 17 december 2019 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2.    Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2021. 3.    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2021. 4.    Deze verordening kan worden aangehaald als “Verordening belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten Lelystad 2021”. \-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\- 322/2 VERORDENING op de heffing en de invordering van afvalstoffenheffing 2021 (Verordening afvalstoffenheffing Lelystad 2021). Artikel 1 Aard van de belasting en belastbaar feit 1.  Onder de naam “afvalstoffenheffing” wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel      15.33 van de Wet milieubeheer. 2.  De afvalstoffenheffing als bedoeld in deze verordening wordt naar afzonderlijke grondslagen      geheven terzake van het gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de      artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van      huishoudelijke afvalstoffen geldt. Artikel 2 Belastingplicht 1.  De belasting wordt geheven van degenen die in de gemeente naar de omstandigheden beoordeeld      al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maken van een      perceel ten aanzien waarvan ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een      verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. 2.  Voor de toepassing van het eerste lid wordt als gebruiker door de in artikel 231, tweede      lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangemerkt:      a.  bij gebruik door meer leden van een huishouden: een lid van een huishouden;      b.  bij gebruik van delen van een perceel: degene die de delen van het perceel in gebruik heeft           gegeven;      c.  bij ter beschikking stellen voor volgtijdig gebruik: degene die het perceel voor volgtijdig gebruik           ter beschikking heeft gesteld. Artikel 3 Maatstaf van heffing en belastingtarief 1.  De belasting bedraagt per belastingjaar voor een perceel dat wordt gebruikt:      a.    door 1 persoon             € 236,28      b.    door 2 personen        € 268,20      c.    door 3 personen        € 294,72      d.    door 4 of meer personen    € 346,80 2.  Het aantal personen dat van een perceel gebruik maakt wordt vastgesteld naar de toestand op      1 januari van het belastingjaar. 3.  Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, wordt het aantal personen dat      van een perceel gebruik maakt vastgesteld naar de toestand op het tijdstip van de aanvang van de      belastingplicht. Artikel 4 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 5 Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven. Artikel 6 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar gelang van tijd 1.   De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang       van de belastingplicht. 2.   Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd       over zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar op       het tijdstip van aanvang van de belastingplicht nog volle kalendermaanden overblijven. 3.   Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing       voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar op       het tijdstip van beëindiging van de belastingplicht nog volle kalendermaanden overblijven. 4.   Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente       verhuist en aldaar een ander perceel feitelijk in gebruik neemt. Artikel 7 Termijnen van betaling 1.    In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990 moet een belastingaanslag van minder dan € 50,00 en een belastingaanslag van € 5.000,00 of meer worden betaald in één termijn, die vervalt op de laatste dag van de maand volgende op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld. 2.    In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990 moet een belastingaanslag van € 50,00 of meer doch minder dan € 5.000,00 worden betaald in vier gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 3.    In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990 en in afwijking van het tweede lid van dit artikel geldt dat, zolang een belastingaanslag van € 50,00 of meer doch minder dan € 5.000,00 door middel van automatische betalingsincasso kan worden afgeschreven, deze aanslag moet worden betaald in elf gelijke termijnen.     De eerste termijn vervalt: a.     indien de dagtekening van de aanslag voor het kalenderjaar in de maanden januari, februari,          maart of april van dat kalenderjaar ligt, op de laatste dag van de maand volgend op die welke          in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens          een maand later; b.    in alle overige gevallen van automatische betalingsincasso, op de laatste dag van de maand            volgend op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de            volgende termijnen telkens een maand later. 4.    De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de vorige leden gestelde termijnen. 5.    Voor de toepassing van het bepaalde in de voorgaande leden van dit artikel wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen afvalstoffenheffing en andere heffingen aangemerkt als één belastingaanslag. Artikel 8 Nadere regels door het college van de gemeente Lelystad Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de afvalstoffenheffing. Artikel 9 Inwerkingtreding en citeertitel 1.    De “Verordening afvalstoffenheffing Lelystad 2020” van 17 december 2019, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2.    Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2021. 3.    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2021. 4.    Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening afvalstoffenheffing Lelystad 2021”. \-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\- 322/4 VERORDENING op de heffing en de invordering van rioolheffing 2021 (Verordening rioolheffing Lelystad 2021). Artikel 1 Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: a.    perceel: een roerende of onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte daarvan; b.    gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling,     verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in     beheer of in onderhoud bij de gemeente; c.    water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater; d.    woning: een onroerende zaak als bedoeld in artikel 220a, tweede lid van de Gemeentewet met dien verstande dat daartoe ook die gedeelten van een onroerende zaak behoren die als perceel kunnen worden aangemerkt en waarvan de waarde ingevolge artikel 220e van de Gemeentewet buiten de heffingsmaatstaf van de onroerende-zaakbelastingen wordt gelaten; e.    niet-woning: elke onroerende zaak of zelfstandig gedeelte daarvan die niet als woning is aan te merken als voornoemd. Artikel 2 Aard van de belasting Onder de naam “rioolheffing” wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan: a.    de inzameling en het transport van huishoudelijke afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de     zuivering van huishoudelijk afvalwater; en b.    de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater,     alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de     grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te     beperken. Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht 1.    Onder de naam "rioolheffing" wordt geheven:     a.  een heffing van de gebruiker van een perceel dat in gebruik of bestemd is als woning van         waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd, verder te         noemen: gebruikersdeel;     b.  een heffing van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens         eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de         gemeentelijke riolering, verder te noemen: eigenarendeel. 2.            Met betrekking tot de heffing als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt als gebruiker         aangemerkt:     a.    degene die naar de omstandigheden beoordeeld het perceel al dan niet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht gebruikt;     b.    ingeval een gedeelte van een perceel - niet een gedeelte als bedoeld in artikel 4 - ten gebruik is afgestaan: degene die dat gedeelte in gebruik heeft afgestaan. 3.    Bij de gebruikersbelasting wordt:     a.    gebruik door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruik door een door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aan te wijzen lid van dat huishouden;     b.    gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven is bevoegd het recht als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;     c.    het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd het recht als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld. 4.    Met betrekking tot de heffing als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt, ingeval het     eigendom een onroerende zaak is, als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt     recht aangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in de kadastrale     registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom,     bezit of beperkt recht is. Artikel 4 Zelfstandige gedeelten Indien gedeelten van een in artikel 3 bedoeld perceel blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, wordt de belasting geheven ter zake van elk als zodanig bestemd gedeelte, met dien verstande dat indien twee of meer van die gedeelten tezamen als één geheel worden gebruikt, deze als één perceel worden aangemerkt. Artikel 5 Belastingobject 1.    Als een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, wordt aangemerkt de     onroerende zaak, als bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken, die niet     in hoofdzaak tot woning dient en die niet is genoemd in artikel 220d, eerste lid, van de     Gemeentewet. 2.    Een onroerende zaak dient niet in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van     hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak,     niet in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot        woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Artikel 6 Maatstaf van heffing en belastingtarief 1.    De belasting, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, bedraagt per belastingjaar voor een perceel dat wordt gebruikt als woning:     a.    door 1 persoon            € 110,40;     b.    door 2 personen        € 156,24;     c.    door 3 personen        € 193,20;     d.    door 4 of meer personen    € 264,84. 2.    Het aantal personen, als bedoeld in het eerste lid, dat van een perceel gebruik maakt wordt     vastgesteld naar de toestand op 1 januari van het belastingjaar. 3\.     Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt\, wordt het aantal personen dat van een perceel gebruik maakt, als bedoeld in het eerste lid, vastgesteld naar de toestand op het     tijdstip van de aanvang van de belastingplicht. 4.    De belasting, als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, wordt geheven naar de waarde in     het economische verkeer van het eigendom als bedoeld in hoofdstuk IV van de Wet waardering     onroerende zaken en bedraagt per belastingjaar voor een perceel dat niet in hoofdzaak tot     woning dient 0,0738%. 5.    De belasting van niet-woningen wordt geheven naar de op de voet van hoofdstuk IV van de     Wet waardering onroerende zaken voor het belastingobject vastgestelde waarde voor het     kalenderjaar 2021. 6.    Bij de bepaling van de heffingsmaatstaf wordt buiten aanmerking gelaten de waarde van     gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak     dienstbaar zijn aan woondoeleinden. 7.    Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, wordt de eigenaar die     het genot heeft van een perceel krachtens eigendom, bezit of beperkt recht vastgesteld naar de     toestand op het tijdstip van de aanvang van de belastingplicht. 8.    Indien met betrekking tot het belastingobject geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van dat belastingobject bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikel 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken. Artikel 7 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 8 Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven. Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar gelang van tijd 1.     De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang         van de belastingplicht. 2.    Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar op het tijdstip van aanvang van de belastingplicht nog volle kalendermaanden overblijven. 3.    Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar op het tijdstip van beëindiging van de belastingplicht nog volle kalendermaanden overblijven. 4.    Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel feitelijk in gebruik neemt. Artikel 10 Termijnen van betaling 1.    In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990 moet een belastingaanslag van minder dan € 50,00 en een belastingaanslag van € 5.000,00 of meer worden betaald in één termijn, die vervalt op de laatste dag van de maand volgende op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld. 2.    In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990 moet een belastingaanslag van € 50,00 of meer doch minder dan € 5.000,00 worden betaald in vier gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 3.    In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990 en in afwijking van het tweede lid van dit artikel geldt dat, zolang een belastingaanslag van € 50,00 of meer doch minder dan € 5.000,00 door middel van automatische betalingsincasso kan worden afgeschreven, deze aanslag moet worden betaald in elf gelijke termijnen.     De eerste termijn vervalt: a.     indien de dagtekening van de aanslag voor het kalenderjaar in de maanden januari, februari,          maart of april van dat kalenderjaar ligt, op de laatste dag van de maand volgend op die welke          in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens          een maand later; b.    in alle overige gevallen van automatische betalingsincasso, op de laatste dag van de maand            volgend op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de            volgende termijnen telkens een maand later. 4.    De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de vorige leden gestelde termijnen. 5.    Voor de toepassing van het bepaalde in de voorgaande leden van dit artikel wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen rioolheffing en andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag. Artikel 11 Nadere regels door het college van de gemeente Lelystad Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de rioolheffing. Artikel 12 Inwerkingtreding en citeertitel 1.    De “Verordening rioolheffing Lelystad 2020” van 17 december 2019, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2.    Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2021. 3.    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2021. 4.    Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening rioolheffing Lelystad 2021”. \-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\- 322/5 VERORDENING op de heffing en de invordering van hondenbelasting 2021 (Verordening hondenbelasting Lelystad 2021). Artikel 1 Belastbaar feit Onder de naam “hondenbelasting” wordt een directe belasting geheven ter zake van het houden van een hond binnen de gemeente. Artikel 2 Belastingplicht 1.    Belastingplichtig is de houder van een hond. 2.    Als houder wordt aangemerkt degene die onder welke titel dan ook een hond onder zich heeft, tenzij blijkt dat een ander de houder is. 3.    Het houden van een hond door een lid van het huishouden wordt aangemerkt als het houden van een hond door een door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aan te wijzen lid van dat huishouden. Artikel 3 Vrijstellingen 1\. In dit artikel wordt verstaan onder hondenasiel: aan één locatie gebonden ruimte of ruimtes     bestemd of gebruikt voor het in bewaring houden van honden die zwervend zijn aangetroffen, dan     wel waarvan door de eigenaar permanent afstand is gedaan, welke locatie als inrichting is     aangemeld overeenkomstig artikel 3.7, eerste lid, van het Besluit houders van dieren. 2\. De belasting wordt niet geheven ter zake van honden: a.    die uitsluitend dienen om blinde personen te leiden of die hiervoor in opleiding zijn; b.    waarbij de houder van de hulphond de daartoe verstrekte machtiging afgegeven door de zorgverzekeraar kan overleggen; c.     die verblijven in een hondenasiel; d.    waarvan de houder in het bezit is van een geldend diploma van de Koninklijke Nederlandse Politiehond Vereniging, mits de houder zich verbindt zijn hond met een geleider, aan wiens bevelen hij gehoorzaamt, op aanvraag ter beschikking van de politie te stellen; e.    die jonger zijn dan 6 maanden, voor zover zij tezamen met de moederhond worden gehouden. Artikel 4 Maatstaf van heffing De belasting wordt geheven naar het aantal honden dat wordt gehouden. Artikel 5 Belastingtarief 1.    De belasting bedraagt per hond per belastingjaar € 93,00 2.    In afwijking in zoverre van het voorgaande lid bedraagt de belasting voor honden gehouden in kennels die zijn geregistreerd bij de Raad van Beheer op Kynologisch Gebied in Nederland niet meer dan € 372,00. 3.    Eveneens in afwijking in zoverre van het bepaalde in het eerste lid bedraagt de belasting voor honden, die uitsluitend ten verkoop of aflevering in voorraad worden gehouden in een inrichting als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, van het Besluit houders van dieren, niet meer dan € 372,00. Artikel 6 Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar. Artikel 7 Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven. Artikel 8 Aangifte 1.     Ieder die bij aanvang van een belastingjaar houder is van één of meer honden, is gehouden         binnen 4 weken aangifte hiervan te doen, tenzij aan de belastingplichtige reeds een aangiftebiljet         is uitgereikt of reeds een aanslag is opgelegd. 2.     Indien in de loop van het belastingjaar de belastingplicht ontstaat dan wel het aantal honden dat         door de belastingplichtige wordt gehouden een wijziging ondergaat, dient de belastingplichtige         binnen 4 weken na het tijdstip waarop de belastingplicht is ontstaan of de wijziging van het aantal         honden heeft plaatsgevonden, aangifte hiervan te doen. Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar gelang van tijd 1.    De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht. 2.    Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, dan wel het aantal honden in de loop van het belastingjaar toeneemt, is de belasting, respectievelijk de hogere belasting terzake van het toegenomen aantal honden, verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, respectievelijk de toename van het aantal honden, nog volle kalendermaanden overblijven. 3.    Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, dan wel het aantal honden in de loop van het belastingjaar vermindert, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht respectievelijk de vermindering van het aantal honden, nog volle kalendermaanden overblijven. Artikel 10 Termijnen van betaling 1.    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een belastingaanslag van minder dan € 50,00 en een belastingaanslag van € 5.000,00 of meer worden betaald in één termijn, die vervalt op de laatste dag van de maand volgende op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld. 2.    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een belastingaanslag van € 50,00 of meer doch minder dan € 5.000,00 worden betaald in vier gelijke termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 3.    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 en in afwijking van het tweede lid van dit artikel geldt dat, zolang een belastingaanslag van € 50,00 of meer doch minder dan € 5.000,00 door middel van automatische betalingsincasso kan worden afgeschreven, deze aanslag moet worden betaald in elf gelijke termijnen.     De eerste termijn vervalt:     a.     indien de dagtekening van de aanslag voor het kalenderjaar in de maanden januari, februari,          maart of april van dat kalenderjaar ligt, op de laatste dag van de maand volgend op die welke          in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens          een maand later;     b.    in alle overige gevallen van automatische betalingsincasso, op de laatste dag van de maand volgend op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elke van de volgende termijnen telkens een maand later. 4.    De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de vorige leden gestelde termijnen. 5.    Voor de toepassing van het bepaalde in de voorgaande leden van dit artikel wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen hondenbelasting en andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag. Artikel 11 Nadere regels door het college van de gemeente Lelystad Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de hondenbelasting. Artikel 12 Geen kwijtschelding Bij de invordering van de hondenbelasting wordt geen kwijtschelding verleend. Artikel 13 Inwerkingtreding en citeertitel 1.    De “Verordening hondenbelasting Lelystad 2020” van 17 december 2019, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2.    Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2021. 3.        De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2021. 4.    Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening hondenbelasting Lelystad 2021”. \-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\- 322/6 VERORDENING op de heffing en de invordering van marktgelden 2021 (Verordening marktgelden Lelystad 2021). Artikel 1 Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: a.    standplaats    :    de op en voor de duur van een markt door het bevoegd gezag aangewezen ruimte voor het uitoefenen van de markthandel; b.    vaste-standplaats    :    een standplaats die tot wederopzegging beschikbaar wordt gesteld; c.    dagplaats    :    een standplaats die per marktdag beschikbaar wordt gesteld; d.    standplaatshouder    :    ieder aan wie door het college van de gemeente Lelystad of de marktmeester het is toegestaan om gedurende een markt een standplaats te bezetten; e.    marktdag    :    de dag waarop de markt gehouden wordt, waarbij de voor de markt bestemde dagen afzonderlijk beschouwd worden; f.    weekmarkten    :    de markten die in de regel wekelijks op dinsdag en zaterdag worden gehouden in respectievelijk het “Lelycentre” en het “Stadshart”; g.    jaarmarkt    :    de in de regel in april van een jaar te houden jaarmarkt voor de verkoop van tuinartikelen en andere jaarmarkten; h.    een kwartaal    :    een kalenderkwartaal; i.    een halfjaar    :    een kalenderhalfjaar; j.    een jaar    :    een kalenderjaar. Artikel 2 Aard van de heffing Onder de naam van “marktgeld” wordt voor het innemen van een standplaats op een markt een recht geheven. Artikel 3 Belastingplicht Het marktgeld wordt geheven van degene die een standplaats op een markt inneemt. Artikel 4 Maatstaf van heffing 1.    Het marktgeld voor het innemen van een standplaats op een weekmarkt wordt geheven over de frontbreedte van de standplaats; deze frontbreedte wordt uitgedrukt in strekkende meters (m). Indien de oppervlakte van de standplaats in vierkante meters meer bedraagt dan 5 maal de frontbreedte, wordt voor iedere 5 vierkante meter overschrijding een extra strekkende meter in rekening gebracht. 2.    Het marktgeld voor het innemen van een standplaats op een jaarmarkt wordt geheven over het aantal vierkante meters (m2 ) dat de standplaats beslaat. Artikel 5 Standplaatstarieven 1.    Het marktgeld bedraagt voor het innemen van een dagplaats op de dinsdagmarkt per marktdag of gedeelte daarvan € 2,15 per strekkende meter met een minimum van          €     8,50. 2.    Het marktgeld bedraagt voor het innemen van een vaste-standplaats op de dinsdagmarkt per marktdag of gedeelte daarvan gedurende een tijdvak van:     a.    een kwartaal:    € 21,30 per strekkende meter, met een minimum van    €       86,95;     b.    een halfjaar:    € 41,20 per strekkende meter, met een minimum van    €     164,75;     c.    een jaar:    € 80,65 per strekkende meter, met een minimum van     € 322,60. 3.    Het marktgeld bedraagt voor het innemen van een dagplaats op de zaterdagmarkt per marktdag of gedeelte daarvan € 3,40 per strekkende meter met een minimum van         €   13,90. 4.    Het marktgeld bedraagt voor het innemen van een vaste-standplaats op de zaterdagmarkt per marktdag of gedeelte daarvan gedurende een tijdvak van:     a.    een kwartaal:    €  37,30 per strekkende meter, met een minimum van    €    151,85;     b.    een halfjaar:    €  70,35 per strekkende meter, met een minimum van    €    286,95;     c.    een jaar:    €135,53 per strekkende meter, met een minimum van     €    552,65. Artikel 6 Heffingstijdvak voor vaste-standplaatshouders 1.    Het marktgeld van de vaste-standplaatshouders op de weekmarkten wordt geheven over een heffingstijdvak van een kwartaal, een halfjaar of een jaar en naar de daarbij in het tweede en vierde lid van artikel 5 vermelde tarieven. 2.    De keuze van het heffingstijdvak berust bij de belastingplichtige, die deze keuze ten minste drie weken voor de aanvang van het door hem gewenste heffingstijdvak schriftelijk aan de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar moet mededelen. 3.    In het geval de mededeling bedoeld in het tweede lid van dit artikel niet of niet tijdig wordt gedaan, wordt het marktgeld over een heffingstijdvak van een kwartaal geheven. 4.    Een eerder gekozen heffingstijdvak kan door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b van de Gemeentewet bedoelde ambtenaar op aanvraag van de belastingplichtige worden gewijzigd, mits de belastingplichtige dit drie weken vóór de aanvang van het nieuwe heffingstijdvak schriftelijk aanvraagt. 5.    Indien de belastingplicht van een vaste-standplaatshouder in de loop van het heffingstijdvak aanvangt, wordt in afwijking van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel het marktgeld voor dat heffingstijdvak geheven naar de tarieven als vermeld in het eerste en derde lid van artikel 5. Artikel 7 Ontstaan van de belastingschuld 1.    Het marktgeld vermeld in het eerste en derde lid van artikel 5 is verschuldigd op het tijdstip waarop de standplaats wordt ingenomen. 2.    Het marktgeld vermeld in het tweede en vierde lid van artikel 5 is verschuldigd bij de aanvang     van een heffingstijdvak. Artikel 8 Wijze van heffen 1.    Het marktgeld vermeld in het eerste en derde lid van artikel 5 wordt geheven bij wege van een mondelinge dan wel een gedagtekende schriftelijke kennisgeving, waaronder mede wordt begrepen een stempelafdruk, zegel, (digitale) nota of andere schriftuur. 2.    Het marktgeld vermeld in het tweede en vierde lid van artikel 5 wordt geheven bij wege van aanslag. Artikel 9 Termijnen van betaling 1.    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet het marktgeld vermeld in het eerste en derde lid van artikel 5 worden betaald ingeval de kennisgeving:     a.    mondeling wordt gedaan, op het moment van het doen van de kennisgeving;     b.    schriftelijk wordt gedaan, op het moment van uitreiken van de kennisgeving. 2.    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen van het marktgeld vermeld in het tweede en vierde lid van artikel 5 worden betaald binnen 30 dagen na de dagtekening van het aanslagbiljet. 3.    De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de vorige leden van dit artikel gestelde termijnen.   Artikel 10 Ontheffing Indien de belastingplicht van een vaste-standplaatshouder in de loop van een heffingstijdvak eindigt, wordt ontheffing verleend van het voor dat tijdvak berekende marktgeld naar rato van het aantal marktdagen dat na het tijdstip van beëindiging van de belastingplicht in dat tijdvak overblijft en het totaal aantal marktdagen in dat tijdvak. Artikel 11 Nadere regels door het college van de gemeente Lelystad Het college van de gemeente Lelystad kan nadere regels stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de marktgelden. Artikel 12 Kwijtschelding Bij de invordering van de marktgelden wordt geen kwijtschelding verleend. Artikel 13 Inwerkingtreding en citeertitel 1.    De “Verordening marktgelden Lelystad 2020” van 17 december 2019 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2.    Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2021. 3.    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2021. 4.    Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening marktgelden Lelystad 2021”. \-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\- 322/7 REGELING tot vaststelling van de tarieven voor de huur van gemeentegrond door de ambulante handel 2021 (Tarievenregeling ambulante handel Lelystad 2021). Artikel 1 Omzetbelasting 1.    De bedragen van artikel 2, onderdeel 1 tot en met 6 zijn exclusief omzetbelasting. 2.    De bedragen van artikel 3, onderdeel 1 tot en met 5 zijn exclusief omzetbelasting. Artikel 2 Tarieven 1.    Het tarief voor de huur van een vaste-standplaats gedurende 1 dag in de week bedraagt per kwartaal:     in het Stadshart    €    496,10;     in het Lelycentre    €    375,65     in de overige gebieden    €    296,65. 2.    Het tarief voor de huur van een vaste-standplaats gedurende meerdere dagen per week bedraagt per kwartaal:     in het Stadshart    €    616,50;     in het Lelycentre    €    496,10;     in de overige gebieden    €    388,90. 3.    Het tarief voor de huur van een standplaats voor de verkoop van oliebollen bedraagt per week:     in het Stadshart    €    83,60;     in het Lelycentre    €    63,35;     in de overige gebieden    €    46,55; 4.    Het tarief voor de huur van een standplaats voor de verkoop van kerstbomen bedraagt per in de daartoe verleende vergunning opgenomen periode:     in het Stadshart     €    656,60;     in het Lelycentre    €    492,20;     in de overige gebieden    €    395,55. 5.    Het tarief voor de huur van een standplaats door overige commerciële gebruikers bedraagt per dag:     in het Stadshart    €    26,45;     in het Lelycentre    €    21,60;     in de overige gebieden    €    17,05. 6.    Het tarief voor de huur van openbare grond ten behoeve van een particuliere markt gedurende 1        dag in de week bedraagt per kwartaal:     in het Stadshart    €    466,10;     in het Lelycentre    €    388,90     in de overige gebieden    €    296,65. Artikel 3 Overige tarieven 1.    De tarieven bij gebruikmaking van levering van stroom op de dinsdagmarkt naar verbruikt vermogen worden bij de houder van een vaste-standplaats per kwartaal in rekening gebracht, waarbij voor een kwartaal 12 maal het dagtarief in rekening wordt gebracht. Bij de houder van een dagplaats wordt het tarief per dag in rekening gebracht conform de onderstaande tarieven:     - stroomlevering tot een vermogen van 500 watt                 € 1,90;     - stroomlevering tot een vermogen van 500 tot 1000 watt   € 3,70;     - stroomlevering tot een vermogen van 1000 tot 2000 watt € 5,60;     - stroomlevering tot een vermogen van 2000 tot 4000 watt € 7,50;     Bij een hoger vermogen wordt een veelvoud of combinatie van deze tarieven in rekening gebracht. 2.    De tarieven bij gebruikmaking van levering van stroom op de zaterdagmarkt naar verbruikt vermogen worden bij de houder van een vaste-standplaats per kwartaal in rekening gebracht, waarbij voor een kwartaal 12 maal het dagtarief in rekening wordt gebracht. Bij de houder van een dagplaats wordt het tarief per dag in rekening gebracht conform de onderstaande tarieven:     - stroomlevering tot een vermogen van 500 watt                 €   2,90;     - stroomlevering tot een vermogen van 500 tot 1000 watt   €   5,80;     - stroomlevering tot een vermogen van 1000 tot 2000 watt €   8,70;     - stroomlevering tot een vermogen van 2000 tot 4000 watt € 11,60;     Bij een hoger vermogen wordt een veelvoud of combinatie van deze tarieven in rekening gebracht. 3.    De tarieven bij gebruikmaking van levering van stroom op de standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17 en van de vigerende Algemene plaatselijke verordening van de gemeente Lelystad naar verbruikt vermogen worden per dag bij de afnemer als volgt in rekening gebracht, met een maximum tarief van twee dagen per locatie per week:     - stroomlevering tot een vermogen van 500 watt                 €   2,90;     - stroomlevering tot een vermogen van 500 tot 1000 watt   €   5,80;     - stroomlevering tot een vermogen van 1000 tot 2000 watt €   8,70;     - stroomlevering tot een vermogen van 2000 tot 4000 watt € 11,60;     Bij een hoger vermogen wordt een veelvoud of combinatie van deze tarieven in rekening gebracht. 4.    De tarieven bij gebruikmaking van levering van stroom voor incidentele standplaatsen en evenementen Worden per stroomkast bij de afnemer als volgt in rekening gebracht: \- per evenement/vergunning voor het openen en sluiten van een stroomkast: € 25\,00; \- per dag voor het stroomverbruik tot 4000 watt: € 11\,60; \- per extra 1000 watt of deel daarvan: € 5\,80\. 5.     De tarieven bij gebruikmaking van levering van stroom ten behoeve van een particuliere markt worden bij de houder van de marktorganisatievergunning per kwartaal in rekening gebracht, waarbij voor een kwartaal 12 maal het onderstaande dagtarief in rekening wordt gebracht:     - stroomlevering tot een vermogen van 500 watt                 €   2,90;     - stroomlevering tot een vermogen van 500 tot 1000 watt   €   5,80;     - stroomlevering tot een vermogen van 1000 tot 2000 watt €   8,70;     - stroomlevering tot een vermogen van 2000 tot 4000 watt € 11,60;     Bij een hoger vermogen wordt een veelvoud of combinatie van deze tarieven in rekening gebracht. Artikel 4 Inwerkingtreding en citeertitel 1.    De “Tarievenregeling ambulante handel Lelystad 2020” van 17 december 2019 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2.    Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2021. 3.    De tarieven uit dit besluit zullen gelden met ingang van 1 januari 2021. 4.    Dit besluit kan worden aangehaald als “Tarievenregeling ambulante handel Lelystad 2021”. \-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\- 322/8 VERORDENING op de heffing en de invordering van leges 2021 (Legesverordening Lelystad 2021). Artikel 1 Begripsomschrijvingen Deze verordening verstaat onder: a.    “dag”    :    de periode van 00.00 uur tot 24.00 uur, waarbij een gedeelte van een dag als een hele dag wordt aangemerkt; b.    “week”    :    een aaneengesloten periode van zeven dagen; c.    “maand”             :  het tijdvak dat loopt van de eerste dag in een kalendermaand tot de                         eerste dag in de volgende kalendermaand; d.    “jaar”    :    het tijdvak dat loopt van de eerste dag in een kalenderjaar tot de             eerste dag in het volgende kalenderjaar; e.    “kalenderjaar”    :    de periode van 1 januari tot en met 31 december. Artikel 2 Belastbaar feit 1\. Onder de naam “leges” worden rechten geheven voor:          a. het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten;          b. het verrichten van handelingen ten behoeve van een aanvraag van een Nederlandse            identiteitskaart of een reisdocument;              een en ander zoals genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel. 2.    Hetgeen in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel is bepaald over een     Nederlandse identiteitskaart voor een persoon die op het moment van de aanvraag de     leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is van overeenkomstige toepassing op een     vervangende Nederlandse identiteitskaart voor personen met een uitreisverbod, ongeacht     de leeftijd van de betrokken persoon. Artikel 3 Belastingplicht Belastingplichtig is de aanvrager van de dienst of van de Nederlandse identiteitskaart of het reisdocument, dan wel degene ten behoeve van wie de dienst is verleend of de handelingen zijn verricht. Artikel 4 Vrijstellingen Leges worden niet geheven voor: a.    diensten waarvan de kosten krachtens afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening (grondexploitatie) zijn of worden verhaald; b.    het in behandeling nemen van aanvragen van verklaringen omtrent inkomen en vermogen; c.  diensten die ingevolge wettelijk voorschrift zijn vrijgesteld van rechtenheffing of kosteloos      moeten worden verleend; d.  vergunningsvrije (ver)bouwwerkzaamheden die bij gemeentelijke monumenten vergunningsplichtig      zijn. Artikel 5 Tarieven 1.    De leges worden geheven naar de tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel. 2.    Voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het nemen van een project-uitvoeringsbesluit als bedoeld in artikel 2.10 van de Crisis- en herstelwet bedraagt het tarief de som van de bedragen die op grond van deze verordening verschuldigd zouden zijn voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning, ontheffing, vrijstelling of enig ander besluit in het kader van de ontwikkeling en verwezenlijking van het     project, voor zover het projectuitvoeringsbesluit strekt ter vervanging van deze besluiten, zoals bedoeld in artikel 2.10, derde lid, van de Crisis- en herstelwet. 3.    Voor de berekening van de leges wordt een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid aangemerkt. Artikel 6 Wijze van heffing De leges worden geheven bij wege van een mondelinge dan wel een gedagtekende schriftelijke kennisgeving, waaronder mede wordt begrepen een stempelafdruk, zegel, nota of andere schriftuur. Artikel 7 Termijnen van betaling 1.    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de leges worden betaald ingeval de kennisgeving als bedoeld in artikel 6:     a.    mondeling wordt gedaan, op het moment van het doen van de kennisgeving;     b.    schriftelijk wordt gedaan, op het moment van uitreiken van de kennisgeving, dan wel in geval van toezending daarvan, binnen 30 dagen na de dagtekening van de kennisgeving. 2.    De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen. Artikel 8 Kwijtschelding Bij de invordering van de leges wordt geen kwijtschelding verleend. Artikel 9 Teruggaaf 1.    Gehele of gedeeltelijke teruggaaf van leges terzake van een in de tarieventabel omschreven dienst wordt verleend op een aanvraag als bedoeld in artikel 242 van de Gemeentewet en overeenkomstig een met betrekking tot die dienst in de bij deze verordening behorende tarieventabel opgenomen bepaling. 2.    Voor de toepassing van artikel 28, vierde lid, van de Invorderingswet 1990 wordt de teruggaaf van leges, bedoeld in het eerste lid, aangemerkt als een vermindering van de belastingaanslag. Artikel 10 Nadere regels door het college van de gemeente Lelystad Het college van de gemeente Lelystad kan nadere regels stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de leges. Artikel 11 Inwerkingtreding en citeertitel 1.    De “Legesverordening Lelystad 2020” van 17 december 2019 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2.     Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2021. 3.    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2021. 4.    Deze verordening wordt aangehaald als “Legesverordening Lelystad 2021”. \-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\- 322/9 VERORDENING op de heffing en de invordering van lijkbezorgingsrechten 2021 (Verordening lijkbezorgingsrechten Lelystad 2021). Artikel 1 Begripsomschrijvingen Deze verordening verstaat onder: a.    begraafplaats    :    de algemene begraafplaats te Lelystad; b.    eigen graf    :    een graf, waarvoor aan een natuurlijk of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot: -    het doen begraven en begraven houden van overledenen; -    het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen met of zonder urnen; c.    algemeen graf    :    een graf bij de gemeente in beheer waarin aan eenieder de gelegenheid wordt geboden tot het doen begraven van overledenen; d.    eigen urnengraf    :    een graf waarvoor aan een natuurlijk of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot het doen bijzetten of bijgezet houden van twee asbussen met of zonder urnen; e.    algemeen urnengraf    :    een graf bij de gemeente in beheer waarin aan eenieder gelegenheid wordt geboden tot het doen bijzetten van asbussen met of zonder urnen; f.    asbus    :    een bus ter berging van de as van een overledene; g.    urnennis    :    een nis, waarvoor voor onbepaalde tijd het recht is verkregen tot het doen bijzetten of bijgezet houden van asbussen of urnen; h.    urn    :    een voorwerp ter berging van één of meer asbussen; i.    verstrooiingsplaats    :    een permanent daartoe bestemd terrein waarop as wordt verstrooid, dan wel een plaats waar voor bepaalde of onbepaalde tijd het recht is verleend om as te doen verstrooien; j.    wandgraf           :    een bovengronds graf in een daartoe bestemde wand op de begraafplaats waarvoor aan een natuurlijk of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot het begraven van een overledene; k.    jaar    :    een periode van 365 dagen. Artikel 2 Belastbaar feit Op basis van deze verordening worden rechten geheven voor het gebruik van de begraafplaats en voor het door of vanwege de gemeente verlenen van diensten in verband met de begraafplaats. Artikel 3 Belastingplicht De rechten worden geheven van degene op wiens aanvraag dan wel ten behoeve van wie de dienst wordt verricht of van degene die van de bezittingen, werken of inrichtingen gebruik maakt. Artikel 4 Vrijstelling De rechten worden niet geheven voor het begraven van doodgeboren kinderen of van overleden zuigelingen die met de overleden moeder in één kist worden begraven of gecremeerd. Artikel 5 Maatstaf van heffing en belastingtarief De rechten worden geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel. Artikel 6 Belastingtijdvak 1.    Het belastingtijdvak voor de rechten genoemd in hoofdstuk 2, de onderdelen 2.1, 2.1.1, 2.1.2, 2.1.3 en 3.5 van de tarieventabel is gelijk aan de periode waarover wordt afgekocht. 2.    Na afloop van deze belastingtijdvakken worden de vorenbedoelde rechten niet opnieuw geheven. Artikel 7 Wijze van heffing De rechten worden geheven door middel van een gedagtekende kennisgeving waarop het gevorderde bedrag is vermeld. Artikel 8 Ontstaan van de belastingschuld De rechten zijn verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening, bij de aanvang van het gebruik van de bezittingen, werken of inrichtingen of bij de aanvang van het belastingtijdvak. Artikel 9 Termijn van betaling 1.    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de rechten worden     betaald binnen 30 dagen na de dagtekening van de kennisgeving. 2.    De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijn. Artikel 10 Kwijtschelding Bij de invordering van de rechten wordt geen kwijtschelding verleend. Artikel 11 Nadere regels door het college van de gemeente Lelystad Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de rechten. Artikel 12 Inwerkingtreding en citeertitel 1.    De “Verordening lijkbezorgingsrechten Lelystad 2020” van 17 december 2019, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2.    Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2021. 3.    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2021. 4.    Deze verordening wordt aangehaald als de “Verordening lijkbezorgingsrechten Lelystad 2021”. \-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\- Tarieventabel bij Verordening lijkbezorgingsrechten Lelystad 2021 1\. Begraafrechten Begraven en bijzetten                Tarief 2021 1.1.    Voor het begraven van een overledene van     12 jaar of ouder wordt geheven        €           959,00 1.2.    Voor het begraven van een overledene     beneden de leeftijd van 12 jaar wordt geheven        €    858,00 1.3.    Voor het bijzetten van een asbus of urn in een     urnengraf wordt geheven        €    487,00 1.4.    Voor het bijzetten van een asbus of urn in een urnennis     wordt, indien deze bijzetting in aanwezigheid van     nabestaanden geschiedt, geheven        €    154,00 1.5.    Voor het bijzetten van een asbus of urn in een urnennis     wordt, indien deze bijzetting niet in aanwezigheid van     nabestaanden geschiedt, geheven        €    41,00 1.6.    Voor het afhalen en/of opbrengen van een gedenkteken van een eigen graf ten behoeve van een 2e bijzetting in dat graf wordt geheven € 84,00 1.7 Voor het begraven van een overledene in een wandgraf wordt geheven € 389,00 Lichten en herbegraven 1.8.    Voor het lichten van een overledene wordt geheven        €    954,00 1.8.1.    Voor het na lichting weer begraven in hetzelfde graf     wordt geheven        €    244,00 1.8.2.    Voor het na lichting opnieuw begraven in een ander     graf wordt het recht geheven naar de tarieven vermeld     in de onderdelen 1.1 en 1.2 1.9.    Voor het lichten van een asbus of urn uit een urnengraf wordt geheven        €    487,00 1.9.1.    Voor het na lichting weer bijzetten in hetzelfde urnengraf     wordt geheven        €    163,00 1.9.2.    Voor het na lichting weer bijzetten in een ander     urnengraf wordt het recht geheven naar het tarief vermeld     in onderdeel 1.3 1.9.3.    Voor het lichten van een asbus of urn uit een urnennis     wordt geheven        €    41,00 1.9.4.    Voor het na lichting weer bijzetten in dezelfde urnennis wordt geheven        €    41,00 1.9.5.    Voor het na lichting weer bijzetten in een andere     urnennis wordt het recht geheven naar de tarieven     vermeld in de onderdelen 1.4 en 1.5 Diensten verricht op buitengewone uren worden verhoogd met: 25%    voor diensten verricht van maandag tot en met vrijdag van 16:00 tot en met 17:00 uur; 50%    voor diensten verricht van maandag tot en met vrijdag van 17:00 tot en met 19:00 uur; 50%    voor diensten verricht op zaterdag van 09:00 tot en met 12:00 uur; 100%    voor diensten verricht op zaterdag van 12:00 tot en met 16:00 uur; 100%    Voor diensten verricht op zondag en algemene feestdagen. 2\. De aanleg en onderhoudsrechten 2.1.    Voor het begraven van een overledene of het bijzetten van     een asbus of urn in een eigen graf wordt     in de vorm van een afkoopsom voor een periode van     20 jaren een begraafplaatsrecht geheven van        €    1.548,00 2.1.0.    Het onder 2.1 vermelde recht wordt verhoogd met     100% indien het een begraving betreft waarbij     een overledene in zittende houding wordt begraven     waardoor het bovengraf niet meer benut kan worden 2.1.1.    Voor het bijzetten van een asbus of urn in een     algemeen of eigen urnengraf wordt in de vorm     van een afkoopsom voor een periode van 10 jaren     een begraafplaatsrecht geheven van        €    386,00 2.1.2. Voor het begraven van een overledene in een wandgraf wordt in de vorm van een afkoopsom voor een periode van 10 jaren een begraafplaatsrecht geheven van € 1.227,00 2.1.3.    Voor het begraven van een overledene of het bijzetten van     een asbus of urn in een algemeen graf wordt in de vorm van een     afkoopsom voor een periode van 10 jaren een begraafplaatsrecht     geheven van        €    773,00 2.2.    Voor het verkrijgen van het uitsluitend recht voor een     periode van 20 jaren tot het doen begraven en     begraven houden van overledenen of het doen bijzetten en     bijgezet houden van asbussen in een eigen graf     wordt bij de eerste begraving of bijzetting in dat eigen     graf een grafrecht geheven van        €    773,00 2.2.1.    Voor het verkrijgen van het uitsluitend recht voor een     periode van 20 jaren tot het doen bijzetten en     bijgezet houden van asbussen met of zonder urnen     in een eigen urnengraf wordt bij de eerste bijzetting     in dat eigen urnengraf een grafrecht geheven van        €    386,00 2.2.2.    Voor het verkrijgen van het uitsluitend recht voor     een periode van 10 jaren tot het doen bijzetten     en bijgezet houden van asbussen in een urnennis     wordt bij de eerste bijzetting in de urnennis een     urnennisrecht geheven van         €    773,00 2.2.3. Voor het verkrijgen van het uitsluitend recht voor een periode van 20 jaren tot het doen begraven en begraven houden van overledenen in een wandgraf wordt een grafrecht geheven van € 1.983,00 2.3.    Voor het in behandeling nemen van een aanvraag     tot verlenging van het in de onderdelen 2.2. en 2.2.1.     bedoelde uitsluitend recht met een periode van 10     jaren, worden dezelfde tarieven geheven als bij die     onderdelen staan vermeld. 2.3.1.    Voor het in behandeling nemen van een aanvraag     tot verlenging van het in onderdeel 2.2.2. bedoelde     recht met een periode van 5 jaren, wordt 50% geheven     van het tarief dat bij dat onderdeel staat vermeld. Strooirecht en verstrooiingsrecht 2.4.    Voor het gebruik van de verstrooiingsplaats wordt     indien hierbij nabestaanden aanwezig zijn, per     verstrooiing van de as van één gecremeerde     overledene een strooirecht geheven van        €    119,00 2.5.    Voor het verkrijgen van het recht op een verstrooiings-     plaats wordt geheven        €    79,00 3\. Overige rechten 3.1.    Voor het in behandeling nemen van een aanvraag     tot het verkrijgen van een vergunning tot het aan-     brengen van een gedenkteken wordt geheven        €    139,00 3.2.    Voor het door of vanwege de gemeente aanbrengen van een     herdenkingsplaatje met naamsvermelding ten behoeve van de     gedachtenisplek voor een periode van tien jaren wordt geheven        €    106,00 3.3.    Voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot overschrijving van een uitsluitend recht zoals vermeld in de onderdelen 2.2, 2.2.1, 2.2.2 en 2.2.3 wordt geheven        €    16,00 Onderhoud grafbeplanting 3.4.    Voor het door of vanwege de gemeente aanbrengen     en onderhouden van de grafbeplanting wordt per     jaar geheven        €    42,00 3.5. Het onder 3.4. bedoeld recht kan voor een periode     van 10 jaren worden afgekocht. De afkoopsom     wordt vastgesteld door middel van de berekening     van de contante waarde van de onderhoudskosten     voor de periode waarover wordt afgekocht. Bij deze berekening wordt uitgegaan van een kostenstijgings-     percentage van het prijsindexcijfer per jaar.        €      413,00 \-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\- 322/10 VERORDENING op de heffing en de invordering van reclamebelasting 2021 (Verordening reclamebelasting Stadshart Lelystad 2021). Artikel 1. Begripsomschrijvingen Deze verordening verstaat onder: a. reclameobject: een openbare aankondiging in letters, symbolen, logos, of kleuren, of een     combinatie daarvan, zichtbaar vanaf de openbare weg; b. bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke op     de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij     directe of indirecte steun vindt in of op de grond; c. perceel: een roerende of onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte daarvan; d. vestiging: een onroerende zaak als bedoeld in de Wet waardering onroerende zaken of een     roerende zaak als bedoeld in de Gemeentewet, die duurzaam wordt gebruikt voor het aanbieden van     goederen of diensten (met een winstoogmerk) daaronder begrepen winkels en horeca; e. onroerende zaak: de onroerende zaak als bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering     onroerende zaken; f.  roerende zaak: de roerende zaak als bedoeld in artikel 221 van de Gemeentewet; g. jaar: een kalenderjaar; h. het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad; i.  stichting: Stichting Hart voor Lelystad; j.  subsidie: een subsidie zoals bedoeld in het convenant; k. subsidiebeschikking: de beschikking waarmee de subsidie wordt verleend; l. convenant: de tussen de gemeente Lelystad en de Stichting Hart voor Lelystad gesloten uitvoerings-    overeenkomst. Artikel 2. Belastbaar feit Onder de naam reclamebelasting wordt, binnen het gebied zoals nader aangewezen in de bij deze verordening behorende bijlage 1, een direct belasting geheven voor een openbare aankondiging die zichtbaar is van de openbare weg. Artikel 3. Belastingplicht 1\. De reclamebelasting wordt geheven van de gebruiker van een perceel dat in gebruik of bestemd is     als een onroerende of roerende zaak die de openbare aankondiging heeft, dan wel van degene     ten behoeve van wie de openbare aankondiging is aangebracht, welke verwijst naar een vestiging     gelegen in het gebied in artikel 2 van deze verordening, waarop en waarbij één of meer     reclameobjecten worden aangetroffen. 2\. Met betrekking tot de reclamebelasting als bedoeld in het eerste lid\, wordt als gebruiker aangemerkt: a. degene die naar de omstandigheden beoordeeld het perceel al dan niet krachtens een zakelijk of     persoonlijk recht gebruikt; b. ingeval een gedeelte van een perceel ten gebruik is afgestaan: degene die dat gedeelte in gebruik     heeft afgestaan. Artikel 4 Zelfstandige gedeelten Indien gedeelten van een in artikel 3 bedoeld perceel blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, wordt de belasting geheven ter zake van elk als zodanig bestemd gedeelte, met dien verstande dat indien twee of meer van die gedeelten tezamen als één geheel worden gebruikt, deze als één perceel worden aangemerkt. Artikel 5 Belastingobject Onder de naam “reclamebelasting” wordt een belasting geheven ter zake van openbare aankondigingen welke zichtbaar zijn vanaf de openbare weg. Artikel 6 Maatstaf van heffing en belastingtarief 1\. De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken     voor de betreffende onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar 2021. 2\. Het tarief van de reclamebelasting bedraagt voor de onroerende zaak € 2\,90 per € 1\.000\,\- van     de vastgestelde WOZ-waarde. 3\. Het tarief van de reclamebelasting bedraagt voor de roerende zaak een vast bedrag € 400\,00\. 4\. De reclamebelasting bedraagt minimaal € 400\,00 en maximaal € 1\.425\,00\. 5\. Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk     IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak     bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en     20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken. Artikel 7 Wijze van heffing De reclamebelasting wordt bij wege van aanslag geheven. Artikel 8 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar gelang van tijd 1\. De belasting is verschuldigd bij de aanvang van het belastingjaar of\, indien de belastingplicht in de     loop van het belastingtijdvak aanvangt, bij de aanvang van de belastingplicht. 2\. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt\, is de belasting verschuldigd over     zoveel gedeelten van de voor dat jaar geldende tarief als er in dat jaar, na de aanvang van de     belastingplicht nog volle kalendermaanden overblijven. 3\. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt\, bestaat aanspraak op ontheffing     voor zoveel gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar op het     tijdstip van beëindiging van de belastingplicht nog volle kalendermaanden overblijven. Artikel 9 Vrijstellingen De reclamebelasting wordt niet geheven voor: a. een openbare aankondiging door publiekrechtelijke rechtspersonen gedaan in de uitoefening van     hun publiekrechtelijke taak; b. politieke aankondigingen ten tijde van de verkiezingen of aankondigingen van culturele en     maatschappelijke aard of aankondigingen van niet-commerciële en tijdelijke aard; c. openbare aankondigingen die uitsluitend het openbaar belang dienen; d. openbare aankondigingen die door (semi-)overheden of culturele, maatschappelijke of daarmee     gelijk te stellen lichamen met ideële doelstellingen zijn aangebracht en betrekking hebben op     activiteiten die uitsluitend een cultureel, maatschappelijk, charitatief of ideëel doel dienen; e. openbare aankondigingen van politieke partijen; f.  openbare aankondigingen die korter aanwezig zijn dan 13 weken en binnen het belastingtijdvak niet     worden vervangen, opgevolgd of gecontinueerd door andere openbare aankondigingen; g. openbare aankondigingen op bouwterreinen voor zover deze rechtstreeks betrekking hebben op de     op dat terrein in uitvoering zijnde bouwwerkzaamheden; h. openbare aankondigingen die met vermelding van een tussenpersoon zijn gedaan in verband met de     verhuur of de verkoop van een onroerende zaak. Artikel 10 Termijnen van betaling 1\. In afwijking van artikel 9\, eerste lid\, van de Invorderingswet 1990 moet een belastingaanslag     worden betaald in zes termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt op de     laatste dag van de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de     volgende termijnen telkens een maand later. 2\. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijn\. Artikel 11 Kwijtschelding Bij de invordering van de reclamebelasting wordt geen kwijtschelding verleend. Artikel 12 Nadere regels door het college van de gemeente Lelystad Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de reclamebelastingen. Artikel 13 Verhouding Algemene subsidieverordening gemeente Lelystad 1.    De Algemene subsidieverordening gemeente Lelystad is van toepassing op subsidies die ten laste van de ontvangen heffingen op grond van deze verordening komen. 2.    Voor zover deze verordening afwijkt van de Algemene subsidieverordening gemeente Lelystad dan wel toepassing van de Algemene subsidieverordening gemeente Lelystad en bijbehorende besluiten strijdig zou zijn met deze verordening, prevaleert hetgeen in deze verordening is bepaald. Artikel 14 Aanwijzing stichting De stichting wordt aangewezen als de partij die op grond van deze verordening subsidie kan aanvragen. Artikel 15 Subsidie aanvraag 1.    De subsidie wordt jaarlijks verleend aan de stichting voor de uitvoering van de activiteiten die zijn opgenomen in de Subsidiebeschikking en het gesloten convenant. De subsidie wordt verleend op een daartoe gedane aanvraag. 2.    Een aanvraag om een subsidie kan worden ingediend vanaf 1 augustus tot uiterlijk 1 oktober voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft. Voor het jaar 2021 wordt daarvan afgeweken en dient de aanvraag uiterlijk 1 februari 2021 ingediend te zijn. 3.    Een aanvraag om subsidie die betrekking heeft op het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de verordening in werking is getreden, wordt afgewezen. Artikel 16 Subsidieverlening 1.    De subsidie bedraagt maximaal het bedrag van de jaarlijks te ontvangen reclamebelasting. Het college brengt voor de inning van de heffing € 1750,00 kosten in rekening. 2.    Verrekening als gevolg van vermindering van de reclamebelasting en eventueel oninbaarheid van openstaande vorderingen kunnen leiden tot het vaststellen van een lager subsidiebedrag. Artikel 17 Melding van relevante wijzigingen De stichting stelt het college zo spoedig mogelijk schriftelijk op de hoogte van: a. meer dan ondergeschikte veranderingen in haar financiële situatie; b. een wijziging van de statuten; c. verandering of beëindiging van activiteiten. Artikel 18 Inwerkingtreding en citeertitel 1\. De “Verordening reclamebelasting Stadshart Lelystad 2020” van 17 december  2019 wordt ingetrokken     met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande     dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2\. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2021\. 3\. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2021\. 4\. Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening reclamebelasting Stadshart Lelystad 2021”\. \-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\- 322/11 VERORDENING op de heffing en de invordering van de liggelden Bataviahaven 2021 (Verordening liggelden Bataviahaven 2021). Artikel 1. Begripsomschrijvingen Schip Elk vaartuig met inbegrip van een vaartuig zonder waterverplaatsing en een watervliegtuig, gebruikt of geschikt om te worden gebruikt als een middel van vervoer te water; onder vaartuig wordt mede verstaan drijvende werktuigen, zoals kranen, baggermolens, pontons of materieel van soortgelijke aard, alsmede glijboten en ponten. Passagiersvaartuig Elk schip, dat door de eigenaar bestemd is om meer dan twaalf passagiers te vervoeren, dan wel een schip, dat meer dan twaalf passagiers vervoert, veerboten daaronder begrepen. Charterschip Een passagiersvaartuig dat door de eigenaar is bestemd om meer dan twaalf passagiers te vervoeren of meer dan twaalf passagiers vervoert en dat daadwerkelijk en aantoonbaar wordt gebruikt ten behoeve van de beroepsmatige chartervaart en waarvan de gezagvoerder/eigenaar/reder als charterondernemer staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, dat is te boek gesteld overeenkomstig artikel 785 van boek 8 van het Burgerlijk Wetboek en waarvoor een Certificaat van Onderzoek als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Binnenvaartwet of Certificaat van deugdelijkheid als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Schepenwet is afgegeven en waarvan de gezagvoerder/eigenaar/reder heeft voldaan aan de verplichting als bedoeld in artikel 36 lid 2 van de Binnenvaartwet. Pleziervaartuig Een schip dat uitsluitend of hoofdzakelijk wordt gebruikt voor niet-bedrijfsmatige, sportieve of recreatieve doeleinden. Onder niet-bedrijfsmatig wordt tevens verstaan het al dan niet structureel tegen betaling of enige andere tegenprestatie vervoeren van 12 of minder passagiers. Charterjacht Een pleziervaartuig dat gebruikt wordt door een natuurlijke persoon die niet de eigenaar van dat jacht is, maar dat tegen betaling in gebruik heeft van een derde, terwijl de gebruiker zelf optreedt als gezagvoerder op dat jacht en de derde van die verhuur zijn beroep of bedrijf heeft gemaakt, een en ander blijkend uit een inschrijving bij de Kamer van Koophandel en het feit dat het jacht daadwerkelijk en aantoonbaar voor dat doel wordt gebruikt. Passanten Belastingplichtigen voor ligplaatsen waarvoor geen abonnement is afgegeven ten behoeve van het schip waarmee ligplaats wordt ingenomen en die geen deelnemer aan een evenement zijn of dat evenement op een of andere wijze met een schip faciliteren. Bataviahaven Het water, gelegen in de gemeente Lelystad tussen het Schoonzicht en de wegen, de steigers en de kunstwerken, welke vanaf het Schoonzicht in zuid-westelijke richting zijn aangebracht, welke tezamen een dam vormen, met inbegrip van die dam, een strook water in het Oostvaardersdiep ter breedte van 20 meter ten noordwesten van die dam en de bij, op of aan die dam aangebrachte werken en voorzieningen, alsmede de monding van die haven met inbegrip van de in die monding aangebrachte remmingwerken, lichtopstanden, boeien en andere kunstwerken en voorzieningen, de naast en in de haven gelegen pontons en de daarin en daarop aangebrachte voorzieningen, een en ander met inbegrip van het appartement dat plaatselijk bekend is onder het adres Schoonzicht 404 met de daarbij behorende inventaris en aanhorigheden (havenkantoor met bijbehorende sanitaire voorzieningen), een en ander zoals is vastgelegd op de bij de vigerende Havenverordening Bataviahaven van de gemeente Lelystad behorende en daarvan onderdeel uitmakende kaart met het nummer SW-907262-AL-4. Artikel 2. Belastbaar feit Ter zake van het hebben van een ligplaats in de Bataviahaven en het in verband daarmee door of vanwege de gemeente verlenen van diensten wordt onder de naam "liggelden" rechten geheven. Artikel 3. Belastingplicht 1.    Belastingplichtig is degene die een ligplaats heeft ingenomen, dan wel degene voor wie diensten als bedoeld in artikel 2 worden of zijn verricht. 2.    Bij voortgezet innemen van een ligplaats na afloop van de termijn waarvoor liggeld is voldaan, ontstaat opnieuw de belastingplicht. Artikel 4. Vrijstelling Het recht wordt niet geheven ter zake van het innemen van een ligplaats met een schip dat voor onderhoudswerkzaamheden aan gemeente-eigendommen wordt gebezigd. Artikel 5. Belastinggrondslag Voor de berekening van het recht wordt: a. als lengte van een vaartuig aangemerkt de lengte over alles van het vaartuig met inbegrip van een     vaste boegspriet, een papegaaienstok, het trimvlak en een roer, waarbij een gedeelte van een     meter wordt gerekend voor een hele meter; b. als breedte van een vaartuig aangemerkt de breedte over alles van het vaartuig met inbegrip van     overhangen en balkons, waarbij een gedeelte van een meter wordt gerekend voor een hele meter; c. als m² aangemerkt de hoeveelheid ingenomen wateroppervlakte, zijnde het product van de lengte     en de breedte over alles; waarbij een gedeelte van een m² wordt gerekend voor een hele m². Artikel 6. Tarieven Het recht wordt geheven naar de tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel. Artikel 7. Verlaten ligplaats Het college is gerechtigd de ligplaats die wordt ingenomen met een abonnement aan een ander schip toe te wijzen bij afwezigheid van het schip waarvoor het abonnement is afgegeven. Daarnaast is de havenmeester gerechtigd om bij evenementen, aanwijzingen te geven aan de houders van  abonnementen. Artikel 8. Het belastingjaar 1.    Met betrekking tot de rechten genoemd in de bij deze verordening behorende tarieventabel die per     jaar worden geheven is het belastingjaar gelijk aan het kalenderjaar. 2.    Met betrekking tot de overige rechten genoemd in de tarieventabel is het belastingtijdvak gelijk aan de periode waarvoor een ligplaats wordt ingenomen. Artikel 9. Opzeggen recht Ingeval een ligplaats wordt ingenomen voor een kalenderjaar en de gebruiker wenst deze ligplaats het volgende jaar niet in te nemen, dient deze gebruiker dit vóór 1 november van het jaar voorafgaand aan het jaar dat hij van de ligplaats geen gebruik wenst te maken aan het college mede te delen. Indien de gebruiker niet voor bedoelde datum heeft opgezegd, wordt het recht voor het volgende kalenderjaar automatisch verlengd. Artikel 10. Beëindiging belastingplicht 1.    Indien de belastingplicht, voor een vaartuig dat een ligplaats inneemt met een abonnementstarief voor een kalenderjaar, eindigt gedurende de periode waarvoor dat abonnement is verstrekt, wordt  op een aanvraag als bedoeld in artikel 242 van de Gemeentewet ontheffing verleend over zoveel delen van het recht als er nog volle kalenderkwartalen in de periode van dat abonnement resteren. 2.    Indien de belastingplicht, voor een vaartuig dat een ligplaats inneemt met een abonnementstarief voor een zomer- of winterperiode, eindigt gedurende de periode waarvoor dat abonnement is verstrekt, wordt op een aanvraag als bedoeld in artikel 242 van de Gemeentewet ontheffing verleend over zoveel delen van het recht als er nog volle maanden in de periode van dat abonnement resteren. Artikel 11. Wijze van heffing en termijnen van betaling 1.    Het recht wordt geheven bij wege van een mondelinge dan wel gedagtekende schriftelijke kennisgeving, waaronder mede wordt begrepen een gedagtekende bon, nota of ander schriftuur, waarop het verschuldigde bedrag wordt vermeld. 2.    Het recht is verschuldigd zodra een ligplaats wordt ingenomen en moet worden betaald op het moment van de mondelinge kennisgeving of het uitreiken van de kennisgeving, dan wel in het geval van toezending van de kennisgeving binnen dertig dagen na de dagtekening van de kennisgeving. 3.    Bij voortgezet verblijf na afloop van de termijn waarover liggeld is betaald begint een nieuwe termijn en is met betrekking tot deze nieuwe termijn het recht opnieuw verschuldigd, alsdan dient betaling opnieuw overeenkomstig het tweede lid plaats te vinden. Een en ander laat onverlet het verbod van voortzetting van de termijn door passanten, zoals dat is bepaald in de vigerende Havenverordening Bataviahaven van de gemeente Lelystad. 4.    Abonnementen dienen te worden betaald binnen dertig dagen na dagtekening van de nota. 5.    De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen. Artikel 12. Kwijtschelding Bij de invordering van de liggelden wordt geen kwijtschelding verleend. Artikel 13. Nadere regels door het college van de gemeente Lelystad Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de liggelden. Artikel 14. Inwerkingtreding en citeertitel 1.    De “Verordening liggelden Bataviahaven 2020" van 17 december 2019, wordt ingetrokken met  ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2.    Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2021. 3.    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2021. 4.    Deze verordening kan worden aangehaald als "Verordening liggelden Bataviahaven 2021”. \-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\- Tarieventabel Bataviahaven Lelystad 2021, behorende bij de Verordening liggelden Bataviahaven 2021. Geldig vanaf 1 januari 2021. Prijzen inclusief 21% omzetbelasting. TE ZIEN IN DE VERORDENING 6 Verhaalswerkzaamheden Indien voor een ligplaats, door nalatigheid van de belastingplichtige door of vanwege de gemeente verhaalwerkzaamheden moeten worden verricht, worden de hiervoor vermelde rechten verhoogd met € 96,15 per uur dat deze verhaalwerkzaamheden in beslag nemen, waarbij een gedeelte van een uur voor een vol uur wordt gerekend. \-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\-\- 322/12 VERORDENING op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2021 (Verordening parkeerbelastingen Lelystad 2021). Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: a.    parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op de binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden; b.    motorvoertuigen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het  RVV 1990 met inbegrip van brommobielen; c.    houder: degene die naar de omstandigheden als houder van een voertuig moet worden beschouwd, met dien verstande dat voor een motorrijtuig dat is ingeschreven in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aan te houden register van opgegeven kentekens (Kentekenregister) als houder wordt aangemerkt degene op wiens naam het voor het motorrijtuig opgegeven kenteken ten tijde van het parkeren in het register was ingeschreven; d.    parkeerapparatuur: parkeermeters, parkeerautomaten, met inbegrip van verzamelparkeermeters, centrale computer en hetgeen naar maatschappelijke opvatting overigens onder parkeerapparatuur wordt verstaan; e.    centrale computer: computer van het bedrijf waarmee de gemeente Lelystad een overeenkomst heeft gesloten, bestemd voor de registratie van parkeerbewegingen in het kader van het verlenen van diensten op het gebied van betaald parkeren met gebruik van een mobiele telefoon of een ander communicatiemiddel; f.    vergunning: een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren zoals bepaald in de vigerende Parkeerverordening van de gemeente Lelystad; g.    abonnement: een van gemeentewege verleend abonnement, voor het parkeren zoals bepaald in de vigerende Parkeerverordening van de gemeente Lelystad. Artikel 2. Belastbaar feit Onder de naam “parkeerbelastingen” worden de volgende belastingen geheven: a.    een belasting terzake van het parkeren van een voertuig op een bij, dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen door het college te bepalen plaats, tijdstip en wijze; b.    een belasting terzake van een van gemeentewege verleende vergunning/verleend abonnement voor het parkeren van een voertuig op de in die vergunning/dat abonnement aangeven plaats en wijze. Artikel 3. Belastingplicht 1.    De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven van degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd. 2.    Als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd wordt mede aangemerkt:     a.    degene die de belasting voldoet dan wel te kennen geeft of heeft gegeven de belasting te         willen voldoen;     b.    zolang geen voldoening van de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, heeft plaats-         gevonden: de houder van het motorvoertuig met dien verstande dat:         1.    indien een voor ten hoogste drie maanden aangegane huurovereenkomst wordt overgelegd waaruit blijkt wie ten tijde van het parkeren ingevolge deze overeenkomst de huurder van het voertuig was, niet de houder maar de huurder wordt aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd;         2.    indien blijkt dat een ander in het Kentekenregister als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994, had moeten staan ingeschreven, die ander wordt aangemerkt als degene die het voertuig heeft geparkeerd. 3.    De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt niet geheven van degene die op grond van     het tweede lid, onderdeel b, als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd wordt     aangemerkt, indien deze aannemelijk maakt dat ten tijde van het parkeren een ander tegen zijn     wil van het motorvoertuig gebruik heeft gemaakt en dat hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft     kunnen voorkomen. 4.    De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven van degene die de vergunning/het abonnement heeft aangevraagd. Artikel 4. Vrijstellingen 1.   De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, voor het parkeren van een motorvoertuig op de       parkeerlocatie wordt niet geheven van een houder van een geldige gehandicaptenparkeerkaart,       indien deze kaart duidelijk zichtbaar achter het voorraam is geplaatst. 2.   In afwijking van het bepaalde in het vorige lid geldt de genoemde vrijstelling niet in parkeer-       garages of bij parkeren achter slagbomen. Artikel 5. Maatstaf van heffing, belastingtarief en belastingtijdvak De maatstaf van heffing, het belastingtarief en het belastingtijdvak zijn vermeld in de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende Tarieven- en kostentabel. Artikel 6. Wijze van heffing 1.   De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte.       Als voldoening op aangifte wordt in dit geval aangemerkt het bij de aanvang van het parkeren in       werking stellen van de parkeerapparatuur op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van       de door het college gestelde voorschriften. 2.   De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte. 3.   Bij de voldoening op aangifte moet het kenteken van het motorvoertuig waarmee wordt geparkeerd,       of waarvoor de vergunning geldt, worden opgegeven. Artikel 7. Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdgelang 1.    De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, is verschuldigd bij de aanvang van het parkeren, tenzij bij de aanvang van het parkeren het in werking stellen van de centrale parkeerapparatuur geschiedt door het halen van een toegangskaartje waarvoor na afloop van het parkeren betaald moet worden of door het inloggen via een mobiele telefoon of een ander communicatiemiddel op de centrale computer. 2.    De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, is verschuldigd op het tijdstip waarop de vergunning/het abonnement wordt verleend. 3.    Indien de belasting als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, in de loop van het jaar aanvangt, wordt het verschuldigde bedrag berekend naar zoveel twaalfde gedeelten van het jaartarief, als na de aanvang van de belastingplicht volle maanden in het heffingstijdvak overblijven. 4.    Indien de belasting als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, in de loop van het jaar eindigt, wordt het verschuldigde bedrag berekend naar zoveel twaalfde gedeelten van het jaartarief, als na beëindiging van de belastingplicht volle maanden in het heffingstijdvak overblijven. De over deze resterende volle kalendermaanden betaalde belasting wordt op verzoek gerestitueerd, voor zover het te restitueren bedrag hoger is dan € 10,00. Artikel 8. Termijnen van betaling 1.      De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, moet worden betaald bij de aanvang van het          parkeren. 2.      In afwijking van het bepaalde in het vorige lid moet de belasting worden betaald vóór het          verlaten van het terrein, waarbij betaling plaatsvindt met behulp van het toegangskaartje in de          centrale parkeerapparatuur te stoppen. 3.      Indien het in werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt via een mobiele telefoon of          een ander communicatiemiddel moet de belasting overeenkomstig de aangifte worden betaald          binnen één maand na het einde van het parkeren. 4.      De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, moet overeenkomstig de aangifte worden betaald          op het tijdstip waarop de vergunning/het abonnement wordt verleend. Voldoening via een          daartoe afgegeven machtiging tot automatische incasso wordt met betalen gelijkgesteld. 5.      Een naheffingsaanslag moet terstond worden betaald. Artikel 9. Bevoegdheid tot aanwijzing parkeerplaatsen De aanwijzing van de plaats waar, het tijdstip en de wijze waarop tegen betaling van de belasting als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, mag worden geparkeerd geschiedt in alle gevallen door het college bij openbaar bekend te maken besluit. Artikel 10. Kosten De kosten van de naheffingsaanslag ter zake van de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, bedragen € 65,30. Artikel 11. Kwijtschelding Bij de invordering van de parkeerbelastingen wordt geen kwijtschelding verleend. Artikel 12. Nadere regels door het college van de gemeente Lelystad Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de heffing en de invordering van de parkeerbelasting. Artikel 13. Inwerkingtreding en citeertitel 1.    De “Verordening parkeerbelastingen Lelystad 2020” van 17 december 2019 wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2.    Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2021. 3.    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2021. 4.    Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening parkeerbelastingen Lelystad 2021”. Tarieven- en kostentabel, behorende bij en aangeduid in artikel 5 en artikel 10 van de Verordening parkeerbelastingen Lelystad 2021. A.      Tarieventabel Artikel 1.    Begripsomschrijvingen In deze tabel wordt verstaan onder: a. dag:        periode van 00.00 uur tot 24.00 uur; b. maand:    een kalendermaand; c. kwartaal:    drie aaneengesloten kalendermaanden; d. jaar:    kalenderjaar. Artikel 2.    Parkeergebieden Met betrekking tot het parkeren als bedoeld in artikel 2, onderdelen a, van de Verordening parkeer-belastingen Lelystad 2021 bestaan er binnen de gemeente Lelystad gedifferentieerde belastingtarieven voor verschillende locaties. Deze locaties zijn gelegen in het Stadshart, in het winkelcentrum Lelycentre en Batviahaven. Parkeergebied Stadshart De Middenweg, De Waag, Zuigerplasdreef, Agoraweg, Agorawagenplein, Stationsweg en Neringweg (incl ABC-locatie) (straatparkeren). Parkeergarage Zilverpark, Parkeergarage Neringweg, Parkeergarage De Waag, Parkeergarage Agoradek, Parkeerterrein ziekenhuis (garage- en terreinparkeren). Parkeergebied Lelycentre Noorderwagenplein, het Snijdershof en Maerlant. Parkeergebied Bataviahaven Langparkeerterrein Bataviahaven, P6. Artikel 3.    Tarieven voor parkeerautomaten Parkeergebied    Tijdstippen en dagen    Maximale parkeerduur    Tarief     Vergunninghouders abonnementhouders Stadshart (straatparkeren) De Middenweg, De Waag, Zuigerplasdreef, Agoraweg, Agorawagenplein,  Stationsweg en  Neringweg (incl. ABC-locatie)    van 9.00 – 18.00 uur maandag, dinsdag, woensdag, vrijdag, zaterdag donderdag van 9.00 – 21.00 uur     Geen limiet    € 1,60 per uur Toegestaan Stadshart (garage- en terreinparkeren) Parkeergarage Zilverpark, Parkeergarage Neringweg, Parkeergarage De Waag, Parkeergarage Agoradek, Parkeerterrein ziekenhuis     van 9.00 – 18.00 uur: maandag, dinsdag, woensdag, vrijdag, zaterdag donderdag van 9.00 – 21.00 uur    14 dagen    €1,60 per uur € 6,50 per dag    Toegestaan Lelycentre Noorderwagenplein Snijdershof De Maerlant    van 9.00 – 18.00 uur maandag t/m zaterdag     Geen limiet    € 0,85 per  uur € 3,00 per dag     Toegestaan Bataviahaven Langparkeerterrein Bataviahaven P6 van 00.00-23.59 uur maandag t/m zondag en feestdagen Geen limiet € 3,50 per dag Beperkt toegestaan Uitgezonderd in het parkeergebied Bataviahaven is in de parkeergebieden Stadshart en Lelycentre op zon- en feestdagen geen parkeergeld verschuldigd. Als feestdagen worden aangemerkt: nieuwjaarsdag, Goede Vrijdag, Pasen, Koningsdag, Hemelvaartsdag, Pinksteren en Kerstmis. Voor een verloren parkeerticket dient het reguliere tarief te worden betaald, dat op basis van het kenteken van het voertuig wordt vastgesteld. Indien het kenteken niet kan worden vastgesteld bedraagt het tarief voor een verloren kaart € 10,00. Tussen 00.00 uur en 07.00 uur worden aanvullend op dit tarief, voor het openen van de garage de kosten van het voorrijden/openen garage door het beveiligingsbedrijf in rekening gebracht, zijnde € 75,00 per keer. Deze kosten dienen contant te worden voldaan. Artikel 4.    Tarieven voor parkeervergunningen/parkeerabonnementen De tariefstructuur volgt de indeling in categorieën van de vigerende Parkeerverordening van de gemeente Lelystad. De tarieven per categorie bedragen dan: Categorie    Soort    Tijdvak    Tarief I    Bewonersvergunning/-abonnement     Jaar    € 50,00 II    Bedrijfsvergunning/-abonnement     Jaar     € 50,00 III    Autodate    Jaar    € 50,00 IV    Abonnement: Stadshart, garage- en terreinparkeren     Kwartaal    € 55,00         Jaar    € 250,00     Vergunning: Parkwijk    Kwartaal    € 45,00         Jaar    € 213,00     Parkeerbundel 80 uur: Stadshart,  garage- en terreinparkeren     Maand    € 11,00         Jaar    € 135,00 V    Parkeerkraskaart/bezoekersdag vergunning/barcodedagkaart    Stuk    € 2,50     Bezoekersvergunning    Stuk    € 50,00 VI    Zorgvergunning- /abonnement    Jaar    € 50,00 VII    Abonnement vrijwilligers van de Bataviawerf, Het Flevolands Archief en KNRM    Jaar    € 0,00 VIII    Bewonersvergunning/bedrijfsvergunning in De Stelling    Jaar    € 16,05 IX    Bezoekersvergunning De Stelling    Jaar    € 8,00 X    Vergunning Havendam Bataviahaven, bij een Zomerabonnement     De periode waarvoor een zomerabonnement,  als bedoeld in de vigerende Verordening liggelden Bataviahaven van de gemeente Lelystad, geldig is.    € 30,00     Vergunning Havendam, bij een Winterabonnement     De periode waarvoor een winterabonnement, als bedoeld in de vigerende Verordening liggelden Bataviahaven van de gemeente Lelystad, geldig is.    € 20,00 B.     Kostenopbouw naheffingsaanslag parkeerbelastingen Op grond van artikel 2, eerste lid, van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen kunnen de gemeentelijke kosten ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag als bedoeld in artikel 234, zesde lid, van de Gemeentewet ten hoogste bestaan uit de volgende onderstaande componenten, voor zover deze rechtstreeks voortvloeien uit de inning van niet betaalde parkeerbelastingen: De opbouw van de naheffingsaanslag parkeerbelastingen voor jaar 2021 is als volgt: Omschrijving    Bedrag a. vaste informatieverwerkingskosten     €                  319.447 b. variabele informatieverwerkingskosten     €                    13.986 c. kosten van afschrijving     €                    22.817 d. kosten van interest     €                      3.422 e. personeelskosten     €                  154.795 f. overhead (50% van de personeelskosten)      €                    77.398 Totaal     €                  591.865 Op basis van ervaring van de twee voorgaande jaren, worden er op jaarbasis gemiddeld 4.589  naheffingsaanslagen parkeerbelastingen opgelegd. De kosten per naheffingsaanslag bedragen € 128,97.

    Amendementen
    Titel
    Amendement OZB tarieven - VVD
    Raadsvragen
    Onderwerp
    Technische vragen 322 Tarievennota 2021 - CDA
    Technische vragen 322. OZB verschuiving (onderdeel van tarievennota) - CDA
  • 8.a.1a

    Resultaat stemming:
  • 8.a.2
  • 8.b


    Voorgesteld besluit

    De Inkomensondersteunende maatregelenverordening Lelystad 2021 vast te stellen.


    Besluit
    gelet op artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en tweede lid, van de Participatiewet; gelet op artikel 1:13 Wet kinderopvang gezien het advies van de cliëntenraad sociaal domein Lelystad; De verordening 'Inkomensondersteunende maatregelen Lelystad 2021' vast te stellen. Inkomensondersteunende maatregelenverordening Lelystad 2021 Hoofdstuk1:individuele inkomenstoeslag Artikel 1. Begrippen 1.    Alle begrippen die in dit hoofdstuk worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet en de Algemene wet bestuursrecht. 2.    In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a.    inkomen: totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 van de Participatiewet, en de algemene bijstand; b.    peildatum: datum waarop een persoon individuele inkomenstoeslag aanvraagt; c.    referteperiode: periode van drie jaar voorafgaand aan de peildatum. d.    de wet: de Participatiewet Artikel 2. Indienen verzoek Een verzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, wordt ingediend door middel van een door het college beschikbaar gesteld formulier. Artikel 3. Langdurig laag inkomen 1.    Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 100% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. 2.    De in lid 1 genoemde bijstandsnorm wordt voor alleenstaande ouders verhoogd met 20% van het wettelijk minimum referentieloon. Artikel 4. Hoogte individuele inkomenstoeslag 1.    Een individuele inkomenstoeslag bedraagt per kalenderjaar: a.    voor gehuwden: 25% van de op 1 januari van de in het jaar waarin de aanvraag is ingediend, geldende gehuwdennorm, bedoeld in artikel 21 onder b van de Participatiewet; b.    voor een alleenstaande ouder: 90% van de individuele inkomenstoeslag voor gehuwden; c.    voor een alleenstaande: 70% van de van de individuele inkomenstoeslag voor gehuwden; en wordt afgerond op een veelvoud van € 5,00. 2.    Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag op grond van de artikelen 11 of 13, eerste lid, van de Participatiewet, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. 3.    Voor toepassing van het eerste en tweede lid is de situatie op de peildatum bepalend. Hoofdstuk 2 Tegemoetkoming kosten kinderopvang Artikel 5. Begripsbepaling 1.    Alle begrippen die in dit hoofdstuk worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet Kinderopvang, Besluit kinderopvangtoeslag en de Algemene wet bestuursrecht. 2.    In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a.    inkomen: totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 van de Participatiewet, en de algemene bijstand; b.    de wet: de Wet kinderopvang c.    een ouder: degene die overeenkomstig artikel 1.1 van de wet die binnen de doelgroep valt van artikel 1.6 van de wet met uitzondering van onderdelen a, b, f, g, h, en i dan wel voor wie op grond van een sociaal medische indicatie kinderopvang noodzakelijk is; d.    sociaal medische indicatie: een door een onafhankelijke organisatie die beschikt over adequate deskundigheid verstrekte indicatie dat kinderopvang op grond van sociale dan wel medische gronden noodzakelijk is voor het kind of de ouders. Met een sociaal medische indicatie wordt gelijk gesteld een verklaring van een behandelaar, waaruit onomstotelijk blijkt dat kinderopvangnoodzakelijk is; Artikel 6. Te verstrekken gegevens bij de aanvraag 1.    Een aanvraag voor een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang bevat: a.    naam, adres en burgerservicenummer van de ouder; b.    indien van toepassing: naam en burgerservicenummer van de partner en, indien dit een ander adres is dan het adres van de ouder: het adres van de partner; c.    naam, geboortedatum en burgerservicenummer van het kind of de kinderen waarop de aangevraagde tegemoetkoming betrekking heeft; d.    een offerte of contract van het bij wet geregistreerde kindercentrum of gastouderbureau dat de kinderopvang gaat verzorgen waarin in ieder geval wordt aangegeven: het aantal uren kinderopvang per kind, de kostprijs per uur en de aanvangsdatum van de opvang; e.    gegevens of een verwijzing naar gegevens waaruit blijkt dat de ouder behoort tot de in artikel 5 onder b van deze verordening gestelde doelgroep; f.    voor een aanvraag op grond van sociaal medische indicatie: een indicatie zoals gesteld in artikel 5 onder c van deze verordening; g.    overige gegevens die het college nodig acht om te kunnen besluiten over de aanvraag van de tegemoetkoming. 2.    Het college kan bepalen dat de aanvraag geschiedt met behulp van een door het college vastgesteld en beschikbaar gesteld aanvraagformulier. 3.    Indien de ouder een partner heeft, wordt de aanvraag mede ondertekend door de partner. Artikel 7. Inhoud van de beschikking Het besluit tot verlening van de tegemoetkoming in de kosten van de kinderopvang bevat in ieder geval: a.    de vaststelling tot welke van de gemeentelijke doelgroepen de ouder behoort; b.    de naam en geboortedatum van het kind of de kinderen waarop de tegemoetkoming betrekking heeft; c.    de naam en adres van het kindercentrum of gastouderbureau waar de kinderopvang plaatsvindt; d.    de periode en de omvang van de kinderopvang per tijdvak waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend; e.    de wijze waarop het bedrag van de tegemoetkoming wordt bepaald en het bedrag dat op basis hiervan wordt verleend; f.    de wijze waarop de tegemoetkoming wordt uitbetaald; g.    de verplichtingen van de ouder. Artikel 8. Verlagings- en weigeringsgronden 1.    Het college weigert de noodzaak van kinderopvang op grond van een sociaal-medische indicatie vast te stellen indien de ouder en de partner reeds een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang ontvangt of kan ontvangen; 2.    Het college verlaagt de tegemoetkoming op grond van de sociaal medische indicatie indien de ouder of de partner een inkomen hebben welke hoger is dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm; Artikel 9. Ingangsdatum van de tegemoetkoming 1.    De tegemoetkoming wordt, behoudens in bijzondere gevallen, niet eerder verleend dan met ingang van 3 kalendermaanden voor de datum waarop de aanvraag voor de tegemoetkoming door het college in ontvangst is genomen. 2.    Als nog geen kinderopvang plaatsvindt, wordt de tegemoetkoming verleend met ingang van de datum waarop de kinderopvang zal plaatsvinden. Artikel 10. De periode waarvoor de tegemoetkoming wordt verleend 1.    De tegemoetkoming wordt verleend voor de periode van een tegemoetkomingsjaar. 2.    In afwijking van het eerste lid kan het college de tegemoetkoming voor een andere periode verlenen. Artikel 11. Omvang van de tegemoetkoming 1.    Voor ouders met Sociaal medische indicatie is de omvang van de tegemoetkoming voor kosten van kinderopvang gemaximeerd tot 5 dagdelen per week. 2.    De in het eerste lid bedoelde tegemoetkoming bedraagt maximaal het percentage van de kosten bedoeld in bijlage I, behorende bij artikel 6 van het Besluit kinderopvangtoeslag voor het kind dat de duurste opvang heeft, en vervolgens 100% van de kosten van kinderopvang voor de volgende kinderen. 3.    Ouders als bedoeld in artikel 1.6 onder c, e en j maken geen aanspraak op een tegemoetkoming voor de kosten van kinderopvang voor het eerste kind, wanneer zij een kinderopvangtoeslag van de belastingdienst ontvangen. Voor de volgende kinderen wordt de kinderopvangtoeslag aangevuld met een tegemoetkoming tot maximaal 100% van de kosten van kinderopvang. 4.    In afwijking van het derde lid kan het college besluiten naast de kinderopvangtoeslag een tegemoetkoming voor het eerste kind te verlenen tot maximaal 100% van de kosten van kinderopvang, wanneer dit de arbeidsinschakeling dan wel re-integratie van de ouder ten goede komt. Artikel 12. De bevoorschotting van de tegemoetkoming 1.    De tegemoetkoming wordt in de vorm van een voorschot in maandelijkse termijnen uitbetaald. 2.    Het college kan nadere voorschriften stellen over de wijze van bevoorschotting. Artikel 13. Het besluit tot vaststelling van de tegemoetkoming 1.    De ouder verstrekt binnen vier weken na afloop van de periode waarvoor de tegemoetkoming is verleend aan het college een overzicht van de feitelijke kosten van kinderopvang over deze periode. 2.    Het college stelt de tegemoetkoming binnen acht weken na ontvangst van het overzicht van de kosten vast. Artikel 14. Verrekening met de voorschotten De tegemoetkoming wordt overeenkomstig de vaststelling binnen vier weken betaald, onder verrekening van de betaalde voorschotten. Artikel 15. Inlichtingenplicht 1.    De ouder of de partner doet het college onmiddellijk na het bekend worden daarvan uit eigen beweging schriftelijk mededeling van inlichtingen en gegevens die kunnen leiden tot de vaststelling van een lagere tegemoetkoming. 2.    De ouder of partner verstrekt desgevraagd aan het college, binnen een door het college te stellen redelijke termijn, alle gegevens en inlichtingen van hem en zijn partner die voor de aanspraak op en de hoogte van de tegemoetkoming van de gemeente van belang zijn. Hoofdstuk 5: Slotbepalingen Artikel 16. Andere maatregelen Het college kan ter nadere uitvoering van deze verordening andere inkomensondersteunende maatregelen in nadere regelgeving vaststellen. Artikel 17. Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van deze verordening leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Artikel 18. Intrekken oude verordening Inkomensondersteunende maatregelenverordening Lelystad 2015 wordt ingetrokken met ingang van de dag waarop deze verordening in werking treedt. Artikel 19. Overgangsrecht 1.    Aanvragen die zijn ingediend onder de Inkomensondersteunende maatregelenverordening Lelystad 2015 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens de betreffende ingetrokken verordening, tenzij toepassing van deze verordening gunstiger is voor de aanvrager. 2.    Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Inkomensondersteunende maatregelenverordening Lelystad 2015, wordt beslist met inachtneming van de betreffende ingetrokken verordening, tenzij toepassing van deze verordening gunstiger is voor de aanvrager. Artikel 20. Inwerkingtreding en citeertitel 1.    Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2021. 2.    Deze verordening wordt aangehaald als: Inkomensondersteunende maatregelenverordening Lelystad 2021.

    Raadsvragen
    Onderwerp
    Technische vragen 330 Actualiseren inkomensondersteunende maatregelenverordening - GL
  • 8.c


    Voorgesteld besluit

    De evaluatie verbonden partijen 2020 vast te stellen, met inachtneming van de volgende specifieke beslispunten:
    1.a de deelname aan de verbonden partijen, met uitzondering van de hierna genoemde partijen, ongewijzigd voort te zetten;
    1.b  De afweging over de deelneming in N.V. Sportbedrijf Lelystad te herzien op basis van de uitkomsten van het onderzoek van de rekenkamer middels een separaat voorstel.
    1.c Conform eerdere besluitvorming bij de programmabegroting 2021-2024, besluitpunt 40.a, de deelname aan de stichting Lelystad Partners (CML) niet langer te continueren.


    Besluit
    Kennis te nemen van de Evaluatie verbonden partijen 2020 en te besluiten: 1.a de deelname aan de verbonden partijen, met uitzondering van de hierna genoemde partijen, ongewijzigd voort te zetten; 1.b  De afweging over de deelneming in N.V. Sportbedrijf Lelystad te herzien op basis van de uitkomsten van het onderzoek van de rekenkamer middels een separaat voorstel. 1.c. Conform eerdere besluitvorming bij de programmabegroting 2021-2024, besluitpunt 40.a, de deelname aan de stichting Lelystad Partners (CML) niet langer te continueren.

    Raadsvragen
    Onderwerp
    Technische vragen 331 Evaluatie verbonden partijen - PvdA
  • 8.d


    Voorgesteld besluit

    De verordening beschikkingstermijn schuldhulpverlening 2021 vast te stellen.


    Besluit
    gelet op artikel 108, tweede lid jo. artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet, gelet op artikel 4a derde lid van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, gelet op artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht, B e s l u i t Vast te stellen de Verordening beschikkingstermijn schuldhulpverlening Lelystad 2021 Artikel 1. Begrippen     College: college van burgemeester en wethouders;     Inwoner: degene die als ingezetene in de basisregistratie personen is ingeschreven;     Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid;     Schuldhulpverlening: het ondersteunen bij het vinden van een adequate oplossing gericht op de aflossing van schulden indien redelijkerwijs is te voorzien dat een natuurlijke persoon niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, alsmede de nazorg;     Eerste gesprek: Het eerste gesprek waarin de schriftelijke of mondelinge hulpvraag wordt vastgesteld;     Verzoeker: persoon die zich tot het college heeft gewend voor schuldhulpverlening. Artikel 2. Beschikkingstermijn De beschikking tot schuldhulpverlening zoals bedoeld in artikel 4a, eerste lid van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, dan wel de afwijzing of beëindiging ervan, wordt door het college gegeven binnen acht weken na het eerste gesprek, bedoeld in artikel 4, eerste lid van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. Artikel 3. Inwerkingtreding en citeertitel 1.    Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2021. 2.    Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening beschikkingstermijn schuldhulpverlening Lelystad 2021.

    Raadsvragen
    Onderwerp
    Technische vragen 334 Verordening beschikkingstermijn schuldhulpverlening - GL
  • 8.e

    I



    Voorgesteld besluit

    Voorgesteld wordt de compensatie van de coronamaatregelen via het gemeentefonds in de begroting 2020 als volgt te verwerken:
    1.  Het toegekende compensatiebedrag van €520.000 onder de noemer ‘lokale culturele voorzieningen’ toe te voegen aan taakveld ‘5.3 Cultuurpresentatie, cultuurproductie en cultuurparticipatie’ en door te schuiven naar 2021 voor besteding van de middelen.
    2. Het  compensatiebedrag van €332.000 onder de noemer ‘Incidenteel schrappen opschalingskorting’ toe te voegen aan taakveld ‘0.8 Algemene baten en lasten’.
    3. Het  compensatiebedrag van €214.000 en eventuele extra middelen die in de decembercirculaire worden ontvangen onder de noemer ‘Inhaalzorg/ meerkosten Jeugdzorg’ toe te voegen aan taakveld ‘6.72 Maatwerkdienstverlening 18-’.
    4. Het  compensatiebedrag van €60.000 en eventuele extra middelen die in de decembercirculaire worden ontvangen onder de noemer ‘Inhaalzorg/ meerkosten Wmo’ toe te voegen aan taakveld ‘6.71 Maatwerkdienstverlening 18+’.
    5. Het compensatiebedrag van €89.000 onder de noemer ‘Buurt- en dorpshuizen’ toe te voegen aan taakveld ‘6.1 Samenkracht en burgerparticipatie’
    6. Het compensatiebedrag van €37.000 onder de noemer ‘Vrijwilligersorganisaties jeugd’ toe te voegen aan taakveld ‘5.1 Sportbeleid en activering’ en bij onderbesteding in 2020 het resterende bedrag door te schuiven naar 2021.
    7. Het compensatiebedrag van €192.000 onder de noemer ‘Toezicht en handhaving’ voor de helft toe te voegen aan taakveld ‘1.2 Openbare orde en veiligheid’ en voor de andere helft toe te voegen aan taakveld ‘7.3 Afval (handhaving afvalstoffen)’.
    8. Het compensatiebedrag van €94.000 onder de noemer ‘Precariobelasting en markt- en evenementenleges’ toe te voegen aan taakveld ‘3.3 Bedrijfsloket en bedrijfsregelingen’.
    9. Het compensatiebedrag van €40.000 onder de noemer ‘Voorschoolse opvang peuters’ toe te voegen aan taakveld 4.3 Onderwijsbeleid en leerlingenzaken.
    10. Het compensatiebedrag van €110.000 onder de noemer ‘Noodopvang kinderen van ouders met cruciaal beroep’ toe te voegen aan taakveld 4.3 Onderwijsbeleid en leerlingenzaken.
    11. Het compensatiebedrag van €96.000 onder de noemer ‘Eigen bijdrage Wmo’ toe te voegen aan taakveld ‘6.71 Maatwerkdienstverlening 18+’.
    12. Het compensatiebedrag van €117.000 onder de noemer ‘Extra kosten verkiezingen 2020 en 2021’ door te schuiven naar 2021 en toe te voegen aan taakveld ‘0.2 Burgerzaken’.
    13. Het compensatiebedrag van €272.000 onder de noemer ‘Compensatie parkeerbelasting’ toe te voegen aan taakveld ‘0.63 Parkeerbelasting’.
    14. Het  compensatiebedrag van €695.000 onder de noemer ‘Sociale werkbedrijven’ toe te voegen aan taakveld ‘6.4 Begeleide participatie’.
    15. Het compensatiebedrag dat bekend wordt gemaakt in de decembercirculaire 2020 onder de noemer ‘Dienstverlening bijstandsgerechtigden’ door te schuiven naar 2021 en toe te voegen aan de taakvelden ‘6.3 Inkomensregelingen en 6.5 Arbeidsparticipatie’.
    16. Het  compensatiebedrag dat bekend wordt gemaakt in de decembercirculaire 2020 onder de noemer ‘Gemeentelijk schuldenbeleid’ door te schuiven naar 2021 en toe te voegen aan de taakvelden ‘6.1 Samenkracht en burgerparticipatie’.


    Besluit
    Voorgesteld wordt de compensatie van de coronamaatregelen via het gemeentefonds in de begroting 2020 als volgt te verwerken: 1.     Het toegekende compensatiebedrag van €520.000 onder de noemer ‘lokale culturele voorzieningen’ toe te voegen aan taakveld ‘5.3 Cultuurpresentatie, cultuurproductie en cultuurparticipatie’ en door te schuiven naar 2021 voor besteding van de middelen. 2.    Het  compensatiebedrag van €332.000 onder de noemer ‘Incidenteel schrappen opschalingskorting’ toe te voegen aan taakveld ‘0.8 Algemene baten en lasten’. 3.    Het  compensatiebedrag van €214.000 en eventuele extra middelen die in de decembercirculaire worden ontvangen onder de noemer ‘Inhaalzorg/ meerkosten Jeugdzorg’ toe te voegen aan taakveld ‘6.72 Maatwerkdienstverlening 18-’. 4.    Het  compensatiebedrag van €60.000 en eventuele extra middelen die in de decembercirculaire worden ontvangen onder de noemer ‘Inhaalzorg/ meerkosten Wmo’ toe te voegen aan taakveld ‘6.71 Maatwerkdienstverlening 18+’. 5.    Het compensatiebedrag van €89.000 onder de noemer ‘Buurt- en dorpshuizen’ toe te voegen aan taakveld ‘6.1 Samenkracht en burgerparticipatie’ 6.    Het compensatiebedrag van €37.000 onder de noemer ‘Vrijwilligersorganisaties jeugd’ toe te voegen aan taakveld ‘5.1 Sportbeleid en activering’ en bij onderbesteding in 2020 het resterende bedrag door te schuiven naar 2021. 7.    Het compensatiebedrag van €192.000 onder de noemer ‘Toezicht en handhaving’ voor de helft toe te voegen aan taakveld ‘1.2 Openbare orde en veiligheid’ en voor de andere helft toe te voegen aan taakveld ‘7.3 Afval (handhaving afvalstoffen)’. 8.    Het compensatiebedrag van €94.000 onder de noemer ‘Precariobelasting en markt- en evenementenleges’ toe te voegen aan taakveld ‘3.3 Bedrijfsloket en bedrijfsregelingen’. 9.    Het compensatiebedrag van €40.000 onder de noemer ‘Voorschoolse opvang peuters’ toe te voegen aan taakveld 4.3 Onderwijsbeleid en leerlingenzaken. 10.    Het compensatiebedrag van €110.000 onder de noemer ‘Noodopvang kinderen van ouders met cruciaal beroep’ toe te voegen aan taakveld 4.3 Onderwijsbeleid en leerlingenzaken. 11.    Het compensatiebedrag van €96.000 onder de noemer ‘Eigen bijdrage Wmo’ toe te voegen aan taakveld ‘6.71 Maatwerkdienstverlening 18+’. 12.    Het compensatiebedrag van €117.000 onder de noemer ‘Extra kosten verkiezingen 2020 en 2021’ door te schuiven naar 2021 en toe te voegen aan taakveld ‘0.2 Burgerzaken’. 13.    Het compensatiebedrag van €272.000 onder de noemer ‘Compensatie parkeerbelasting’ toe te voegen aan taakveld ‘0.63 Parkeerbelasting’. 14.    Het  compensatiebedrag van €695.000 onder de noemer ‘Sociale werkbedrijven’ toe te voegen aan taakveld ‘6.4 Begeleide participatie’. 15.    Het compensatiebedrag dat bekend wordt gemaakt in de decembercirculaire 2020 onder de noemer ‘Dienstverlening bijstandsgerechtigden’ door te schuiven naar 2021 en toe te voegen aan de taakvelden ‘6.3 Inkomensregelingen en 6.5 Arbeidsparticipatie’. 16.    Het  compensatiebedrag dat bekend wordt gemaakt in de decembercirculaire 2020 onder de noemer ‘Gemeentelijk schuldenbeleid’ door te schuiven naar 2021 en toe te voegen aan de taakvelden ‘6.1 Samenkracht en burgerparticipatie’.
  • 8.f.1


    Voorgesteld besluit

    De onder de volgende categorieën in de decembernotitie 2020 voorgestelde wijzigingen op de begroting vast te stellen:
    Categorie 1: Volumewijziging van de begroting 2020:
    Actualisatie Budgetten op basis van bijdrage derden
    1. Afrekening Beschermd wonen 2020 + € 811.382 in 2020
    2. G40 stedennetwerk + € 1.112.480 in 2020
    3. Lokaal transformatiefond WMO beschermd wonen + € 187.000 in 2020 en + € 187.000 in 2021
    4. Omgaan met onbegrepen gedrag voor interne medewerkers + € 24.700 in 2020
    5. Ontwikkelcapaciteit versnelling woningbouw - € 1.000.000 in 2020 en -  € 1.000.000 in 2021
    6. Regionale inzet zorglandschap WMO + € 62.500 in 2020
    7. Windplan - € 87.500 in 2020, -  € 87.500 in 2021, -  € 87.500 in 2022 en - € 87.500 in 2023
    8. Woonmarketing + € 100.000 in 2020
    Decentralisatie- en integratie uitkeringen uit het gemeentefonds
    9. Brede aanpak dak- en thuislozen (DU) + € 17.628 in 2020
    10. Brede impuls combinatiefuncties (DU) + € 44.000 in 2020
    11. Gezond in de stad (DU) + € 7.000 in 2020
    12. Inburgering (IU) +  € 155.000 in 2020
    13. Maatschappelijke begeleiding statushouders (DU) + € 23.700 in 2020
    14. Participatie (IU) + € 284.949 in 2020
    15. Pilot Sinti Roma (DU) + € 35.000 in 2020
    Ontvangen Subsidies Rijk en/of Provincie
    16. EAW subsidie + € 20.660 in 2020
    17. Lokaal sportakkoord + € 55.000 in 2020
    18. Reductie energiegerbruik + € 55.000 in 2020
    19. RMC – Voortijdige schoolverlaten + € 173.293 in 2020
    20. Specifieke uitkering Sport + 891.603 in 2020
    21. Wet educatie beroepsonderwijs + € 102.307 in 2020
    Actualisatie begroting op basis van Uitvoeringsplannen
    22. Anterieure overeenkomsten Faciliterend Grondbeleid + € 353.961
    23. Warandedreef 2020 + € 32.500 in 2020
    24. Wmo volume + € 70.000 in 2020
    Subsidievertrekking in het kader van Projecten Transitiefonds
    Categorie 2: actualisatie van budgetten tussen jaarschijven
    Meerjarige projecten
    25. Acquisitie website met Almere – € 35.000 in 2020 en + € 35.000 in 2021
    26. Asbestdaken – € 100.000 in 2020 en + € 100.000 in 2021
    27. Lokaal transformatiefonds Wmo beschermd wonen – € 187.000 in 2020 en + € 187.000 in 2021
    28. Omgevingswet – € 643.000 in 2020 en + € 643.000 in 2021
    29. Poort van Lelystad – € 766.614 in 2020 en + € 766.614 in 2021
    30. Regionale versterking Vrijetijdseconomie kust – € 226.600 in 2020 en + € 226.600 in 2021
    31. Skaeve huse – € 124.314 in 2020 en + € 124.314 in 2021
    32. Statushouders (inburgering) – € 347.123 in 2020 en + € 347.123 in 2021
    33. Stedelijke vernieuwing op uitnodiging – € 270.000 in 2020 en + € 270.000 in 2021

    34. Uitvoeringsprogramma vrijetijdseconomie – € 325.465 in 2020 en + € 325.465 in 2021
    35. Versnellingsmiddelen wonen – € 50.000 in 2020 en + € 50.000 in 2021
    36. Visie digitaal 2020 – € 348.920 in 2020 en + € 348.920 in 2021
    Langere doorlooptijd incidentele projecten
    37. AED netwerk Lelystad – € 60.625 in 2020 en + € 60.625 in 2021
    38. Arbeidsplaatsenregeling 2017 – 2021 – € 387.520 in 2020 en + € 387.520 in 2021
    39. Bewonersinitiatieven – € 120.000 in 2020 en + € 120.000 in 2021
    40. Brede aanpak dak- en thuislozen (DU) -  € 17.628 in 2020 en  + € 17.628 in 2021
    41. Jongerenbudget – € 22.785 in 2020 en € 22.785 in 2021
    42. Kader herontwikkeling ziekenhuis – € 75.000 in 2020 en + € 75.000 in 2021
    43. Kansrijke start (Gezond in de Stad) – € 20.512 in 2020 en + € 20.512 in 2021
    44. Klimaatadaptatie – € 50.000 in 2020 en + € 50.000 in 2021
    45. Leader uitvoeringskosten – € 50.000 in 2020 en + € 50.000 in 2021
    46. Lelypas – € 30.000 in 2020 en + € 109.000 in 2021
    47. Lelystad next level – € 20.000 in 2020 en + € 20.000 in 2021
    48. Luchthavenfonds – € 158.444 in 2020 en + € 158.444 in 2021
    49. Maatregelen Versterken pedagogische basis – € 53.480 in 2020 en + € 53.480 in 2021
    50. Motiemarkt 2020 – € 27.596 in 2020 en + € 27.596 in 2021
    51. Ondersteuning luchthaven – € 16.390 in 2020 en + € 16.390 in 2021
    52. Ondersteuning openbaar  vervoer – € 20.000 in 2020 en + € 20.000 in 2021
    53. Onderzoek veiligste fietsstad – € 60.000 in 2020 en + € 60.000 in 2021
    54. Onderzoek windenergie – € 60.000 in 2020 en + € 60.000 in 2021
    55. Ontwikkelcapaciteit versnelling woningbouw – € 1.000.000 in 2020 en + € 1.000.000 in 2021
    56. Pilot Sinti en Roma – € 22.274 in 2020 en + € 22.274 in 2021
    57. Project Koopmanshof – € 80.000 in 2020 en + € 80.000 in 2021

    58. Projecten Faciliterend Grondbeleid – € 291.604 in 2020 en + € 291.604 in 2021
    59. Rijksuitkering 2019 - 2020 armoede – € 170.000 in 2020 en + € 170.000 in 2021
    60. Sportverkiezingen – € 24.000 in 2020 + € 12.000 in 2022 en + € 12.000 in 2023
    61. Toekomstkeuzes onderzoek & statistiek – € 95.827 in 2020 en + € 43.162 in 2021
    62. Zwangere vervoer ziekenhuis Lelystad – € 2.500 in 2020 en + € 2.500 in 2021
    Corona gerelateerde doorschuif (incidenteel)
    63. Buurtbudget – € 45.000 in 2020 en + € 45.000 in 2021
    64. Duurzame gemeente – € 19.500 in 2020 en + € 19.500 in 2021
    65. Energie en LEF duurzaamheid – € 121.000 in 2020 en + € 121.000 in 2021
    66. Fysieke leefomgeving – € 32.335 in 2020 en + € 32.335 in 2021
    67. GGZ in wijk – € 34.000 in 2020 en + € 34.000 in 2021
    68. Ideeënmakelaar – € 20.000 in 2020 en + € 20.000 in 2021
    69. LEA-projecten – € 23.500 in 2020 en + € 23.500 in 2021
    70. Onderzoek NMFF – € 20.000 in 2020 en + € 20.000 in 2021
    Categorie 3: Verschuiving van budget tussen taakvelden
    71. Actualisatie Aanslagen OZB (niet-)woningen

    72. Actualisatie budgetindeling jeugdzorg

    73. Actualisatie budgetten toezicht en handhaving

    74. Actualisatie opleidingsbudget crisisbeheersing

    75. Formatiewijzigingen 2020

    76. Programmaplan WMO 2020


    77. Verdeling lasten TOZO 2020

    78. Wmo volume

    Categorie 4: Overige wijzigingen
    79. Lelypas  € 79.000 storten in de  ROS in 2020


    Besluit
    De onder de volgende categorieën in de decembernotitie 2020 voorgestelde wijzigingen op de begroting vast te stellen: Categorie 1: Volumewijziging van de begroting 2020: Actualisatie Budgetten op basis van bijdrage derden 1.    Afrekening Beschermd wonen 2020 + € 811.382 in 2020 2.    G40 stedennetwerk + € 1.112.480 in 2020 3.    Lokaal transformatiefond WMO beschermd wonen + € 187.000 in 2020 en + € 187.000 in 2021 4.    Omgaan met onbegrepen gedrag voor interne medewerkers + € 24.700 in 2020 5.    Ontwikkelcapaciteit versnelling woningbouw - € 1.000.000 in 2020 en -  € 1.000.000 in 2021 6.    Regionale inzet zorglandschap WMO + € 62.500 in 2020 7.    Windplan - € 87.500 in 2020, -  € 87.500 in 2021, -  € 87.500 in 2022 en - € 87.500 in 2023 8.    Woonmarketing + € 100.000 in 2020 Decentralisatie- en integratie uitkeringen uit het gemeentefonds 9.    Brede aanpak dak- en thuislozen (DU) + € 17.628 in 2020 10.    Brede impuls combinatiefuncties (DU) + € 44.000 in 2020 11.    Gezond in de stad (DU) + € 7.000 in 2020 12.    Inburgering (IU) +  € 155.000 in 2020 13.    Maatschappelijke begeleiding statushouders (DU) + € 23.700 in 2020 14.    Participatie (IU) + € 284.949 in 2020 15.    Pilot Sinti Roma (DU) + € 35.000 in 2020 Ontvangen Subsidies Rijk en/of Provincie 16.    EAW subsidie + € 20.660 in 2020 17.    Lokaal sportakkoord + € 55.000 in 2020 18.    Reductie energiegerbruik + € 55.000 in 2020 19.    RMC – Voortijdige schoolverlaten + € 173.293 in 2020 20.    Specifieke uitkering Sport + 891.603 in 2020 21.    Wet educatie beroepsonderwijs + € 102.307 in 2020 Actualisatie begroting op basis van Uitvoeringsplannen 22.    Anterieure overeenkomsten Faciliterend Grondbeleid + € 353.961 23.    Warandedreef 2020 + € 32.500 in 2020 24.    Wmo volume + € 70.000 in 2020 Subsidievertrekking in het kader van Projecten Transitiefonds Categorie 2: actualisatie van budgetten tussen jaarschijven Meerjarige projecten 25.    Acquisitie website met Almere – € 35.000 in 2020 en + € 35.000 in 2021 26.    Asbestdaken – € 100.000 in 2020 en + € 100.000 in 2021 27.    Lokaal transformatiefonds Wmo beschermd wonen – € 187.000 in 2020 en + € 187.000 in 2021 28.    Omgevingswet – € 643.000 in 2020 en + € 643.000 in 2021 29.    Poort van Lelystad – € 766.614 in 2020 en + € 766.614 in 2021 30.    Regionale versterking Vrijetijdseconomie kust – € 226.600 in 2020 en + € 226.600 in 2021 31.    Skaeve huse – € 124.314 in 2020 en + € 124.314 in 2021 32.    Statushouders (inburgering) – € 347.123 in 2020 en + € 347.123 in 2021 33.    Stedelijke vernieuwing op uitnodiging – € 270.000 in 2020 en + € 270.000 in 2021 34.    Uitvoeringsprogramma vrijetijdseconomie – € 325.465 in 2020 en + € 325.465 in 2021 35.    Versnellingsmiddelen wonen – € 50.000 in 2020 en + € 50.000 in 2021 36.    Visie digitaal 2020 – € 348.920 in 2020 en + € 348.920 in 2021 Langere doorlooptijd incidentele projecten 37.    AED netwerk Lelystad – € 60.625 in 2020 en + € 60.625 in 2021 38.    Arbeidsplaatsenregeling 2017 – 2021 – € 387.520 in 2020 en + € 387.520 in 2021 39.    Bewonersinitiatieven – € 120.000 in 2020 en + € 120.000 in 2021 40.    Brede aanpak dak- en thuislozen (DU) -  € 17.628 in 2020 en  + € 17.628 in 2021 41.    Jongerenbudget – € 22.785 in 2020 en € 22.785 in 2021 42.    Kader herontwikkeling ziekenhuis – € 75.000 in 2020 en + € 75.000 in 2021 43.    Kansrijke start (Gezond in de Stad) – € 20.512 in 2020 en + € 20.512 in 2021 44.    Klimaatadaptatie – € 50.000 in 2020 en + € 50.000 in 2021 45.    Leader uitvoeringskosten – € 50.000 in 2020 en + € 50.000 in 2021 46.    Lelypas – € 30.000 in 2020 en + € 109.000 in 2021 47.    Lelystad next level – € 20.000 in 2020 en + € 20.000 in 2021 48.    Luchthavenfonds – € 158.444 in 2020 en + € 158.444 in 2021 49.    Maatregelen Versterken pedagogische basis – € 53.480 in 2020 en + € 53.480 in 2021 50.    Motiemarkt 2020 – € 27.596 in 2020 en + € 27.596 in 2021 51.    Ondersteuning luchthaven – € 16.390 in 2020 en + € 16.390 in 2021 52.    Ondersteuning openbaar  vervoer – € 20.000 in 2020 en + € 20.000 in 2021 53.    Onderzoek veiligste fietsstad – € 60.000 in 2020 en + € 60.000 in 2021 54.    Onderzoek windenergie – € 60.000 in 2020 en + € 60.000 in 2021 55.    Ontwikkelcapaciteit versnelling woningbouw – € 1.000.000 in 2020 en + € 1.000.000 in 2021 56.    Pilot Sinti en Roma – € 22.274 in 2020 en + € 22.274 in 2021 57.    Project Koopmanshof – € 80.000 in 2020 en + € 80.000 in 2021 58.    Projecten Faciliterend Grondbeleid – € 291.604 in 2020 en + € 291.604 in 2021 59.    Rijksuitkering 2019 - 2020 armoede – € 170.000 in 2020 en + € 170.000 in 2021 60.    Sportverkiezingen – € 24.000 in 2020 + € 12.000 in 2022 en + € 12.000 in 2023 61.    Toekomstkeuzes onderzoek & statistiek – € 95.827 in 2020 en + € 43.162 in 2021 62.    Zwangere vervoer ziekenhuis Lelystad – € 2.500 in 2020 en + € 2.500 in 2021 Corona gerelateerde doorschuif (incidenteel) 63.    Buurtbudget – € 45.000 in 2020 en + € 45.000 in 2021 64.    Duurzame gemeente – € 19.500 in 2020 en + € 19.500 in 2021 65.    Energie en LEF duurzaamheid – € 121.000 in 2020 en + € 121.000 in 2021 66.    Fysieke leefomgeving – € 32.335 in 2020 en + € 32.335 in 2021 67.    GGZ in wijk – € 34.000 in 2020 en + € 34.000 in 2021 68.    Ideeënmakelaar – € 20.000 in 2020 en + € 20.000 in 2021 69.    LEA-projecten – € 23.500 in 2020 en + € 23.500 in 2021 70.    Onderzoek NMFF – € 20.000 in 2020 en + € 20.000 in 2021 Categorie 3: Verschuiving van budget tussen taakvelden 71.    Actualisatie Aanslagen OZB (niet-)woningen 72.    Actualisatie budgetindeling jeugdzorg 73.    Actualisatie budgetten toezicht en handhaving 74.    Actualisatie opleidingsbudget crisisbeheersing 75.    Formatiewijzigingen 2020 76.    Programmaplan WMO 2020 77.    Verdeling lasten TOZO 2020 78.    Wmo volume Categorie 4: Overige wijzigingen 79.    Lelypas  € 79.000 storten in de  ROS in 2020 80.    Voorgesteld wordt de ontvangen subsidie van het Rijk op basis van het bedrag in de Decembercirculaire bekend - in het kader van de Midstay woningen Lars 2 door te vertalen naar de lasten- en baten kant van de begroting 2020 en deze door te schuiven naar 2021 ter doorverstrekking aan Centrada ten behoeve van de bouw.
  • 8.f.2
  • 8.g


    Voorgesteld besluit

    De beleidsnota voor het gemeentelijk cultuurbeleid 2017-2020 met een jaar te verlengen tot en met 2021 en in 2021 een voorstel voor de cultuurnota 2022-2026 tegemoet te zien.


    Besluit
    De beleidsnota voor het gemeentelijk cultuurbeleid 2017-2020 met een jaar te verlengen tot en met 2021 en in 2021 een voorstel voor de cultuurnota 2022-2026 tegemoet te zien.
  • 9

    00:41:37 - 00:41:39 - H.M. Meijdam
  • 9.a

    Resultaat stemming:


    Voorgesteld besluit

    De raad wordt voorgesteld het volgende besluit te nemen:
    1. Vast te stellen de Verordening toeristenbelasting 2021, inclusief daarbij behorende tarieventabel.


    Besluit
    1.    Vast te stellen de Verordening toeristenbelasting 2021, inclusief daarbij behorende tarieventabel, met de volgende aanvullingen: a.    aan ‘Artikel 5 Vrijstellingen’ van de verordening een lid 6 toe te voegen met de tekst: ‘van personen van 0 tot en met 12 jaar.’ b.    bijlage I – Tarieventabel 2021 (behorend bij de Verordening toeristenbelasting Lelystad) Hoofdstuk 1 – Tarieven basis te wijzigen in:     Tarief A € 1,00: Per overnachting per persoon bij een verblijf in een eigen kampeermiddel bedoeld als in artikel 6, derde lid; 2.     Tarief B € 1,00: Per etmaal per persoon bij een verblijf op het water bedoeld als in artikel 6, eerste lid; 3.     Tarief C € 2,50: Per overnachting per persoon anders dan genoemd in tarief A en/of B zoals bedoeld in artikel 6 eerste en derde lid; zoals een hotel, pension, B&B, vakantiebungalow, vakantiewoning, vakantieappartement. c.    De heffing van de toeristenbelasting in te doen laten gaan vanaf Q2-2021. 2.    Uiterlijk in het voorjaar van 2022 te bekijken of het begrote bedrag van 0,3 mln (Programmabegroting 2021) behaald is en indien nodig de tarieven, voor het eerstvolgende belastingjaar, bij te stellen. 3.    Vanaf 2022 ernaar te streven om jaarlijks uiterlijk in juni duidelijkheid te geven over de tarieven voor het komende jaar. 4.    Punt 1a en 1c vraagt om een dekking. Deze wordt in het ‘basis tarief C’ verdisconteerd wat hiermee komt op € 2,50 p.p.p.n. Omdat er geen ervaringsgegevens bekend zijn wordt als extra dekking het positief begrotingssaldo 2021 (€ 37.000) ingezet.

    Amendementen
    Titel
    Amendement verordening Toeristenbelasting 2021 - InwonersPartij
    Raadsvragen
    Onderwerp
    Technische vragen 339 Vaststelling verordening Toeristenbelasting 2021 - InwonersPartij
    Technische vragen 339. Vaststelling verordening toeristenbelasting 2021 - CDA
  • 9.a.1
  • 9.b

    Resultaat stemming:


    Voorgesteld besluit

    1. De “Nota van Zienswijzen en gemeentelijke reactie” vast te stellen.
    2. Het (ontwerp) bestemmingsplan Warande – De Olmen Buizerdweg , bestaande uit de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0995.BP00076-OW01 met de bijbehorende regels en bijlagen, waarbij gebruik is gemaakt van een ondergrond welke is ontleend aan de basisregistratie grootschalige topografie d.d. 02-01-2020, gewijzigd vast te stellen – overeenkomstig de Nota van Zienswijzen -  met de volgende wijzigingen:
    - het opnemen van de verplichting een geluiddichte gevel te construeren in  artikel 6. van de regels van het bestemmingsplan;
    - het opnemen in artikel 4 van de regels van een voorwaardelijke verplichting bouwen en parkeren.
    3. Geen exploitatieplan vast te stellen.


    Besluit
    1.     De “Nota van Zienswijzen en gemeentelijke reactie” vast te stellen. 2.    Het (ontwerp) bestemmingsplan Warande – De Olmen Buizerdweg , bestaande uit de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0995.BP00076-OW01 met de bijbehorende regels en bijlagen, waarbij gebruik is gemaakt van een ondergrond welke is ontleend aan de basisregistratie grootschalige topografie d.d. 02-01-2020, gewijzigd vast te stellen – overeenkomstig de Nota van Zienswijzen -  met de volgende wijzigingen: -    het opnemen van de verplichting een geluiddichte gevel te construeren in  artikel 6. van de regels van het bestemmingsplan; -    het opnemen in artikel 4 van de regels van een voorwaardelijke verplichting bouwen en parkeren. 3.    Geen exploitatieplan vast te stellen.

    Amendementen
    Titel
    Amendement Olmen weg pas dan - D66
    Raadsvragen
    Onderwerp
    Technische vragen 311 Ontwerpbestemmingsplan De Olmen Buizerdweg - D66
    Technische vragen aangeboden stuk 311 Bestemmingsplan Warande de Olmen - GL

    00:51:54 - 00:52:36 - H.M. Meijdam
  • 9.b.1
  • 9.c

    Het stationsgebied biedt volop mogelijkheden om een bijdrage te leveren aan de ambities om Lelystad te laten groeien naar 100.000 inwoners. Het college stelt de raad voor om deze verdichtings- en verstedelijkingsopgave in het Stationsgebied verder uit te werken en hiervoor een voorbereidingskrediet beschikbaar te stellen.
    Bij de uitwerking wordt nadrukkelijk gekeken naar de mogelijkheden die de woningbouwimpuls vanuit het Rijk biedt.  De woningbouwimpuls is in het leven geroepen om het tekort aan woningen in het land op te lossen. Binnen de Metropoolregio Amsterdam (MRA) is het Stationsgebied Lelystad als sleutelproject in de Woningbouwimpuls aangewezen. Door de verstedelijking verder uit te werken en financieel inzichtelijk te maken kan de raad in 2021 een afgewogen keuze maken over de wijze waarop de verstedelijking vorm kan krijgen in het Stationsgebied.


    Resultaat stemming:


    Besluit
    1.    Een voorbereidingskrediet van 300.000 euro beschikbaar te stellen om de verdichtings- en verstedelijkingopgave in het Stationsgebied uit te werken en dit te dekken uit de t.z.t. vast te stellen grond- c.q. gebiedsexploitatie met als achtervang de egalisatiereserve grondexploitatie. Aangevuld met de volgende kaders Kader 1: voorstellen aan de raad zullen dusdanig vormgegeven worden dat fasering in de realisatie van het project mogelijk is en worden voor uitvoering eerst en bij iedere fase ter besluitvorming aan de raad voorgelegd. Kader 2: vooruitlopend op de einduitwerking reeds beschikbare gronden in het gebied per direct uit te geven t.b.v. woningbouw aan geïnteresseerde partijen middels bieding, prijsvragen en innovatieve projecten, gericht op kwalitatieve architectuur (om de eenzijdigheid van uitstraling in onze stad te doorbreken), kwalitatieve hoogbouw (tot 60 meter), nieuwe woonconcepten en in de mix (huur- en koop in alle segmenten afgestemd op de vigerende afspraken in de woonvisie). Waar nodig worden direct voorstellen voor wijzing van bestemming aan de raad voorgelegd om versnelling van woningbouw in het gebied mogelijk te maken. Kader 3: maximale inspanning te verlenen op de realisatie van woningbouw in de breedste zin des woords waar het diverse doelgroepen betreft waaronder jongeren, ouderen en gezinnen en hierin niet terughoudend te zijn of afwachtend op te treden. Kader 4: grondposities met kantoorbestemming en bestaande kantoren versneld voor herbestemming wonen voorleggen aan de raad, hierbij geen beperking opleggen in mogelijkheden van kleine industrieterreinen en braak liggende posities in het gebied. 2.    Op basis van deze uitwerking in Q2 2021 nadere kaders vast te stellen voor de ontwikkeling van het gebied onder voorwaarde van de navolgende kaders: Kader 1: waarin een oost-west en vice versa passage van het spoor direct bij het station, die geen woonwijken doorkruist, voor auto en fiets behouden blijft (geen knippen). Kader 2:  de oost-west passage en vice versa geregeld is middels gescheiden verkeersstromen voor auto en fiets. Kader 3: met behoud mogelijkheid tot interwijkverkeer weerszijden station, zonder omrijden voor bewoners uit Schouw, Hanzepark en stationsweg richting de Visarenddreef alsmede de middenweg en vice versa. Kader 4: De uitwerkingen van de scenario’s worden als keuzeopties ter instemming aan de Raad voorgelegd. 3.    Dit besluit Stationsgebied in de plaats te stellen van het RV-174 (inclusief bijlage) en verdere beraadslagingen en besluitvorming op voorliggend voorstel te baseren. 4.    Indien bovenstaande kaders tot ernstige bezwaren leiden bij indiening ten behoeve van de impulsgelden en/of aanvraag voor cofinanciering zal het college een voorstel van wijziging op betreffende kaders ter instemming aan de raad voorleggen om dit in gezamenlijkheid op onderdelen te bespreken en te besluiten.

    Amendementen
    Titel
    Amendement Stationsvisie - VVD
    Raadsvragen
    Onderwerp
    Technische vragen 291 Stationsgebied - CDA
  • 9.c.1
  • 9.d

    Resultaat stemming:


    Voorgesteld besluit

    1. Te kiezen voor één van de volgende scenario’s, met bijbehorende partners, voor de nieuw te realiseren onderwijsvoorziening in de Botter:
    a. Scenario A (= voorkeursscenario van het college): Een Integraal Kind Centrum (IKC) bestaande uit huisvesting voor christelijke basisschool De Schakel, een gymzaal en huisvesting voor kinderopvang;
    b. Scenario B: Een multifunctionele accommodatie (MFA) met naast de functies onder A. huisvesting voor Welzijn en Icare (consultatiebureau);
    c. Scenario C: Een brede multifunctionele accommodatie (MFA) met naast de functies onder A. huisvesting voor Welzijn, Icare (consultatiebureau) en een kerkgemeenschap Het Anker.


    Besluit
    1.    Kiezen voor scenario B: Een multifunctionele accommodatie (MFA) met daarin de huisvesting voor Welzijn, Icare (consultatiebureau), gecombineerd met een Integraal Kind Centrum (IKC) bestaande uit huisvesting voor christelijke basisschool de Schakel, huisvesting voor kinderopvang en een gymzaal 1.3. 2.    Aan deze keuze de voorwaarde te verbinden dat het aantoonbaar moet zijn dat dit uit betrokken taakvelden gefinancierd kan worden zonder hierbij op onderdelen nieuwe bezuinigingsopgaven op te werpen. Indien binnen dit kader optie B. niet haalbaar blijkt, dient verdere vertraging te worden beperkt en het college alsnog over te gaan tot uitwerking van optie A. 3.    In overleg te treden met het Kerkgenootschap van het Anker om mogelijkheden van een nieuwbouwlocatie in de stad te bespreken onder voorwaarde van eigen financiering.

    Amendementen
    Titel
    Amendement MFA Botter - D66
    Amendement MFA Botter - ML
    Amendement MFA de Botter - CU
    Raadsvragen
    Onderwerp
    Schriftelijke vragen GroenLinks inzake MFA de Botter
    Technische vragen 347 Scenariokeuze vervangende nieuwbouw basisschool De Schakel - CU
    Technische vragen MFA De Botter - InwonersPartij

    01:55:42 - 01:57:48 - H.M. Meijdam
  • 9.d.1
  • 9.d.2
  • 9.d.3
  • 9.d.4
  • 9.d.5
  • 9.d.6
  • 9.e


    Resultaat stemming:


    Voorgesteld besluit

    1. Geen wensen en bedenkingen kenbaar te maken bij het bijgevoegde Transitieplan overgang naar Jeugd B.V.
    2. Ter dekking van omstelkosten in de periode van transitie naar en opbouw van de Jeugd BV €300.000 te onttrekken uit de algemene reserve en hiervoor geen apart Fonds Sociaal Domein in te richten.


    Besluit
    Geen wensen en bedenkingen kenbaar te maken bij het bijgevoegde Transitieplan overgang naar Jeugd B.V. 2.    Ter dekking van omstelkosten in de periode van transitie naar en opbouw van de Jeugd BV €300.000 te onttrekken uit de algemene reserve en hiervoor geen apart Fonds Sociaal Domein in te richten.

    Moties
    Titel
    Motie Inzetten op Intake en Triage Jeugdzorg - GL
    Raadsvragen
    Onderwerp
    364. Technische vragen Transitieplan ChristenUnie
    Technische vragen 364. Transitieplan overgang naar Jeugd BV - CDA

    01:59:59 - 02:00:06 - H.M. Meijdam
  • 9.e.1
  • 9.f

    Resultaat stemming:


    Voorgesteld besluit

    1. Kennis te nemen van de Visie Publieke Laadinfrastructuur Lelystad en de volgende daarin opgenomen kader- stellende uitgangspunten vast te stellen:
    1.1. Ten aanzien van publieke laadpalen:
    a. Lelystad plaatst publieke laadpalen in samenwerking met MRA-Elektrisch.
    b. De beoogde aanpak voor publieke laadinfrastructuur t/m 2025 kent 2 fasen:
    • Tot Q1 2022: Faciliterend en marktvolgend.
    • Vanaf Q1 2022: Stimulerend en marktvolgend.
    c. Voor het aanvragen van een laadpaal de ‘ladder van laden’ hanteren.
    d. In Lelystad alleen op basis van aanvraag en op basis van gebruiksdata laadpalen plaatsen.
    e. Laden van elektrische auto’s door middel van een kabel vanuit huis niet toestaan.
    f. Extra laadpalen bijplaatsen zodra de bezettingsgraad te hoog wordt.
    g. In de 2e fase potentiële laadlocaties van tevoren bepalen in een participatief proces.
    h. Alleen handhavend optreden bij klachten van andere e-rijders.
    1.2. Ten aanzien van oplaadpunten in openbare parkeergarages de adviezen van Brandweer Nederland ten aanzien van laadinfrastructuur  in parkeergarages opvolgen.
    1.3. Ten aanzien van snelladers en snellaadstations:
    a. Een snellaadstation alleen plaatsen op locaties die door veel automobilisten worden aangedaan.
    b. Snelladers dienen zich in de buurt te bevinden van bijv. horeca of winkels.
    c. Toetsen of het snellaadstation past in de omgeving.
    d. Locaties waar snellaadstations kunnen worden gerealiseerd zijn:
    • Neringweg ter hoogte van het ABC-gebouw;
    • Larserplein bij Mc Donalds, KFC, van der Valkhotel;
    • Houtribdijk bij Bataviastad;
    • Trintelhaven;
    • Bezoekerscentrum Nationaal Park Nieuwland;
    • Palazzo (geen gemeentelijk eigendom, dus na overeenstemming eigena(a)r(en);
    • Noorderwagenplein;
    • sportcentrum De Koploper;
    • tankstation Overijsselseweg/Bijlweg.


    Besluit
    1.    Kennis te nemen van de Visie Publieke Laadinfrastructuur Lelystad en de volgende daarin opgenomen kader- stellende uitgangspunten vast te stellen: 1.1.    Ten aanzien van publieke laadpalen: a.    Lelystad plaatst publieke laadpalen in samenwerking met MRA-Elektrisch. b.    De beoogde aanpak voor publieke laadinfrastructuur t/m 2025 kent 2 fasen: •    Tot Q1 2022: Faciliterend en marktvolgend. •    Vanaf Q1 2022: Stimulerend en marktvolgend. •    Bij aanleg van nieuwe wijken de laadinfrastructuur direct mee te nemen in de terreininrichting om kosten efficiënt te opereren. c.    Voor het aanvragen van een laadpaal de ‘ladder van laden’ hanteren. d.    In Lelystad alleen op basis van aanvraag en op basis van gebruiksdata laadpalen plaatsen. e.    Laden van elektrische auto’s door middel van een kabel vanuit huis niet toestaan tenzij dit mogelijk is omdat de parkeerplaats direct aan de erfgrens ligt of laden op eigen erf plaatsvindt. f.    Extra laadpalen bijplaatsen zodra de bezettingsgraad te hoog wordt. g.    In de 2e fase potentiële laadlocaties van tevoren bepalen in een participatief proces. h.    Alleen handhavend optreden bij klachten van andere e-rijders. 1.2.    Ten aanzien van oplaadpunten in openbare parkeergarages de adviezen van Brandweer Nederland ten aanzien van laadinfrastructuur  in parkeergarages opvolgen. 1.3.    Ten aanzien van snelladers  en snellaadstations : a.    De realisatie van voldoende snelladers en snellaadstations is noodzakelijk voor een aantrekkelijke stad, ter ondersteuning van doorgaand verkeer en ter beperking van de parkeerdruk in de wijken door een substantiële bijdrage in de Lelystadse laadcapaciteit. b.    Het aanbod wordt gestimuleerd door actieve benadering van marktpartijen en (lokale) ondernemers om in Lelystad op eigen terrein of in de openbare ruimte een snellader en/of snellaadstation te realiseren. c.    Een snellaadstation met “hoog vermogen laden”  gewenst is op locaties die door veel automobilisten worden aangedaan (knooppunten snelwegen, provinciale wegen, vliegveld). d.    Geen locaties in de openbare ruimte uit te geven voor de realisatie van een snellaadstation voor (vracht)auto’s van uitsluitend 1 specifiek merk. e.    Locaties onder f. en g. te gebruiken als startpunt voor gesprekken met marktpartijen en (lokale) ondernemers, maar nadrukkelijk niet als limitatieve lijst. f.    Locaties waar snelladers kunnen worden gerealiseerd zijn bijvoorbeeld: •    Neringweg ter hoogte van het ABC-gebouw; •    Bezoekerscentrum Nationaal Park Nieuwland; •    Palazzo (geen gemeentelijk eigendom, dus na overeenstemming eigena(a)r(en); •    Noorderwagenplein; •    Sportcentrum De Koploper; •    Parkeerplaats ziekenhuis; •    Parkeerplaatsen van supermarkten (indien privaat terrein, na overeenstemming); •    Tankstations in de gemeente Lelystad g.    Locaties waar snellaadstations kunnen worden gerealiseerd zijn bijvoorbeeld: •    Larserplein bij Mc Donalds, KFC, van der Valkhotel; •    Houtribdijk bij Bataviastad; •    Trintelhaven; •    Overijsselseweg / Bijlweg; •    Houtribweg; •    Larserweg; •    De gemeentelijke buitenring; •    Laan van Nieuw Land / Warandedreef; •    Vliegveld Lelystad

    Amendementen
    Titel
    Amendement laadinfrastructuur - CU
    Amendement Visie Openbare Laadinfrastructuur - SP
    Raadsvragen
    Onderwerp
    Technische vragen 313 Laadvisie - D66
    Technische vragen 313 Laadvisie - LL

    02:06:13 - 02:07:02 - H.M. Meijdam
  • 9.f.1
  • 9.f.2
  • 10
  • 11
  • 12